Wie kiest tussen honderd euro nu en honderdtien euro over een jaar, kiest meestal het geld van nu. Dat is geen domme keuze. Een beloning die je later krijgt is onzekerder dan een beloning die je nu krijgt. In de tussentijd had je immers iets met het geld iets kunnen doen. Dat een uitgestelde beloning minder waard voelt dan een onmiddellijke beloning, is dus op zichzelf redelijk. Psychologen en economen noemen dit verschijnsel temporal discounting. Letterlijk is dit het verdisconteren van tijd: de waarde van iets in de toekomst wordt afgeprijsd naarmate het verder weg ligt.
By repro by H. Grobe
De omslag van de voorkeur
Neem twee beloningen: een kleine beloning die eerder komt, en een grote beloning die later komt. Op afstand bekeken, als beide beloningen nog ver weg zijn, weegt het verschil in grootte zwaarder dan het verschil in tijd. Je kiest nu, als je wordt gevraagd, over een jaar de grotere beloning: 110 euro boven de 100 euro of de gezonde maaltijd boven de snack. Maar naarmate het moment van de kleine beloning dichterbij komt, schiet de waarde van die kleine beloning omhoog. Vlak voor het moment van kiezen wint de kleine beloning. Liever de honded euro nu dan 110 euro later, want dan koop ik NU de mooie jurk. Dit is de preference reversal, de omslag van de voorkeur.
De voorkeur voor “Beter één vogel in de hand…” verklaart waarom goede voornemens zo systematisch sneuvelen. Het voornemen is gemaakt op een moment dat de verleiding ver weg was, maar het wordt getest op een moment dat de verleiding dichtbij is. Het lijkt wel alsof er twee verschillende mensen met verschillende voorkeuren kiezen, al is het dezelfde persoon met keuzes in verschillende afstanden in de tijd.
De marshmallowtest opnieuw bekeken
Het bekendste onderzoek naar uitgestelde beloning is de marshmallowtest van Walter Mischel. Een kind van vier krijgt een snoepje en de belofte van een tweede snoepje als het even kan wachten. In vervolgonderzoek, decennia later, bleken de kinderen die langer hadden gewacht beter te scoren op school en in het sociale leven. Het beeld dat hieruit ontstond, en dat tot in tijdschriften en managementboeken doordrong, is dat het vermogen om te wachten een vaste, vroeg zichtbare eigenschap is die het latere leven voorspelt.
Dat beeld houdt geen stand. Mischels oorspronkelijke kinderen waren een kleine, homogene groep, vooral kinderen van medewerkers van de universiteit van Stanford. In 2018 herhaalden Tyler Watts, Greg Duncan en Haonan Quan het onderzoek met een veel grotere en meer gevarieerde groep van ruim negenhonderd kinderen. Ze vonden opnieuw een verband tussen wachten op vierjarige leeftijd en schoolprestaties op vijftienjarige leeftijd, maar dat verband werd ongeveer gehalveerd zodra ze rekening hielden met de gezinsachtergrond, de thuisomgeving en de cognitieve vaardigheden die het kind op vierjarige leeftijd al had. Voor gedragsproblemen op vijftienjarige leeftijd bleef er vrijwel niets over. Het wachten zelf voorspelde weinig; wat voorspelde, was de wereld waaruit het kind kwam.
Dat is geen technische correctie maar een andere lezing van het verschijnsel. Een kind dat opgroeit in een omgeving waar beloftes worden nagekomen en waar niets op is, leert dat wachten loont. Een kind dat opgroeit in een omgeving waar het tweede snoepje vaak niet komt, doet er verstandig aan het eerste te pakken. Wat eruitziet als een verschil in karakter, is minstens voor een deel een verschil in ervaring met de betrouwbaarheid van de toekomst. Uitgestelde beloning is dus niet alleen een kwestie van de kortingscurve in het hoofd, maar ook van hoeveel reden iemand heeft om de toekomst te vertrouwen.
Wat hieruit volgt
Als het vermogen om te wachten op een beloning geen vaste eigenschap is maar een uitkomst van omstandigheden, dan is “Meer wilskracht” het verkeerde antwoord. Uitgestelde beloning te kunnen verdragen kan het beste door het verplaatsen van het moment van kiezen. Hoe eerder je kiest, hoe minder moeite het kost. Dat is precies het uitgangspunt van de gedachte “Zelfcontrole zonder moeite” . Je kiest en organiseert situaties voordat de verleiding zich aandient. En je probeert met verschillende technieken een vriend van je toekomstige zelf te worden.
Literatuur
Mischel, W., & Ebbesen, E. B. (1970). Attention in delay of gratification. Journal of personality and social psychology, 16(2), 329.
Watts, T. W., Duncan, G. J., & Quan, H. (2018). Revisiting the marshmallow test: A conceptual replication investigating links between early delay of gratification and later outcomes. Psychological science, 29(7), 1159-1177.
De cognitieve gedragstherapie (CGT) geldt is een moderne, wetenschappelijk onderbouwde en zeer succesvolle behandelvorm. Maar haar kerngedachte is al oud. De kerngedachte van de CGT, dat niet de gebeurtenissen zelf bepalen hoe we ons voelen, maar dat onze emotie afhangt van de betekenis die we aan die gebeurtenissen geven is al ruim tweeduizend jaar geleden geformuleerd. De grondleggers van de cognitieve therapie hebben dat zelf ook zelf zo beschreven. Wie de cognitieve gedragstherapie beter wil begrijpen, doet er goed aan de geschiedenis van deze therapie te kennen.
Socrates: de vraag als instrument
In vrijwel elk handboek over cognitieve gedragstherapie komt de socratische dialoog voor. De therapeut legt de cliënt niet uit dat een gedachte onjuist is, maar stelt vragen: waar baseer je dat op? Is er ook bewijs voor het tegendeel? Wat zou je tegen een vriend zeggen die dit dacht? De cliënt kan zo zelf de zwakke plekken in de eigen aannames ontdekken.
De naam socratische dialoog verwijst naar de Atheense filosoof Socrates (ca. 470–399 v.Chr.), zoals Plato hem in zijn dialogen laat zien. Socrates schreef zelf niets en beweerde ook niets te weten. Zijn methode bestond uit vragen stellen. Hij liet zijn gesprekspartners een stelling formuleren, vroeg door, en bracht zo aan het licht dat hun overtuigingen elkaar tegenspraken. Socrates verkondigde zelf geen waarheid, maar hielp de ander om inzicht dat er al sluimerde duidelijk te maken.
De cognitieve therapie heeft dit principe overgenomen, maar wel in een vriendelijker vorm. De historische Socrates was scherp en bracht zijn gesprekspartners geregeld in verlegenheid; het gesprek eindigde vaak in verwarring, niet in een oplossing. In de therapiekamer gaat het anders. De psychologe Christine Padesky heeft er in een bekend betoog op gewezen dat socratische vragen in de therapie niet bedoeld zijn om de cliënt naar een vooraf vastgestelde conclusie te loodsen. Het gaat om samen onderzoeken, met een open uitkomst. Wat overeind blijft van Socrates is de kern: een overtuiging die je zelf hebt onderzocht en herzien, verandert je dieper dan een overtuiging die je van een ander hebt aangenomen.
De Stoa: emoties als oordelen
De belangrijkste filosofische wortel van de cognitieve gedragstherapie ligt niet bij Socrates, maar bij de Stoa, de filosofische school die rond 300 v.Chr. in Athene werd gesticht door Zeno van Citium en die tot in de Romeinse keizertijd bloeide. De stoïcijnen ontwikkelden als eersten een uitgewerkte cognitieve theorie van de emotie.
Volgens Chrysippus, de derde leider van de school, is een emotie geen blinde kracht die ons overvalt, maar een oordeel. We krijgen een indruk binnen: er komt iets op ons af, en die indruk draagt een voorlopige betekenis mee, bijvoorbeeld “dit is bedreigend” of “dit is onverdraaglijk”. Pas als we met die indruk instemmen, ontstaat de emotie. Angst is in deze opvatting het oordeel dat er iets ergs staat te gebeuren; verdriet het oordeel dat er iets ergs is gebeurd. Dat maakt emoties in principe corrigeerbaar: wie het oordeel onderzoekt en herziet, verandert daarmee de emotie.
Epictetus
De bekendste formulering van deze gedachte staat bij Epictetus (ca. 50–135), een vrijgelaten slaaf die in Nikopolis een filosofieschool leidde. In zijn Handboekje (het Enchiridion) schrijft hij dat niet de dingen zelf de mensen verontrusten, maar hun opvattingen over de dingen. De dood, zegt hij, is niet verschrikkelijk; verschrikkelijk is de opvatting dat de dood verschrikkelijk is. Wie gekwetst wordt door een belediging, wordt niet gekwetst door de woorden van de ander, maar door zijn eigen oordeel dat die woorden een belediging zijn. Deze zinnen worden in de literatuur over cognitieve therapie zo vaak aangehaald dat ze bijna het motto van het vak zijn geworden.
Seneca
Seneca (ca. 4 v.Chr.–65), raadsman van keizer Nero, werkte dezelfde gedachte uit in zijn verhandeling Over de woede. Woede begint volgens hem met een onwillekeurige eerste opwelling, die we niet kunnen tegenhouden. Maar of die opwelling uitgroeit tot echte woede hangt af van een oordeel dat erop volgt: “Mij is onrecht aangedaan en dat moet ik wreken”. Dat tweede element “….moet ik wreken” is het moment waarop ingrijpen mogelijk is. In de moderne psychologie is het onderscheid tussen een automatische eerste reactie en de gedachten die daarop volgen essentieel. Dat onderscheid vormt ook de kern van wat ik elders op deze site beschrijf als: ruimte maken tussen prikkel en reactie.
Drie stoïsche oefeningen die de CGT heeft geërfd
De Stoa was geen theorie alleen, maar een levenspraktijk met concrete oefeningen. Drie daarvan keren in de cognitieve gedragstherapie vrijwel onveranderd terug.
Wat kan ik beïnvloeden?
De eerste oefening die de CGT heeft geërfd is de kwestie van controle. Sommige dingen liggen in onze macht: onze oordelen, onze bedoelingen, ons streven. Andere dingen liggen grotendeels niet in onze macht: ons genen, onze ouders en omstandigheden toen we opgroeiden en wat anderen doen. Ellende ontstaat wanneer we ons hart hangen aan wat niet in onze macht ligt; rust ontstaat wanneer we onze energie richten op wat er wél in ligt. Dit onderscheid is de ruggengraat van veel moderne stressinterventies, en van het gebed om kalmte dat in de zelfhulpwereld beroemd is geworden: de kalmte om te aanvaarden wat je niet kunt veranderen, de moed om te veranderen wat je wel kunt veranderen, en de wijsheid om het verschil te zien:
kalmte om te aanvaarden wat je niet kunt veranderen
moed om te veranderen wat je wel kunt veranderen
en de wijsheid om het verschil te zien.
Tegenslag doordenken
De tweede oefening is het vooruit doordenken van tegenslag. Seneca raadt zijn lezers aan om zich geregeld voor te stellen dat ze verlies, ziekte, armoede of ballingschap treft, om te ontdekken dat het ondenkbare denkbaar is en het ondraaglijke draaglijk. Wie de tegenslag in gedachten al eens heeft doorleefd, wordt er minder door overrompeld. De cognitieve gedragstherapie kent dit als de-catastroferen: de vraag “wat is het ergste dat er kan gebeuren, en wat dan?” en de exposure in de verbeelding, waarbij de cliënt zich stap voor stap voorstelt wat hij het meest vreest: Ook als je je baan of je partner verliest is er een toekomst.
Zelfobservatie
zelfobservatie
De derde oefening is de dagelijkse zelfobservatie. Seneca beschrijft hoe hij elke avond, wanneer het licht uit is, de dag doorneemt: wat heb ik gedaan, waar ging het mis, wat had beter gekund? Dit is de verre voorloper van het gedachtendagboek en de registratieopdracht: de cliënt schrijft op in welke situatie een emotie opkwam, welke gedachten erbij hoorden en hoe hij reageerde. Aandacht, een wakkere, niet-oordelende opmerkzaamheid voor de eigen indrukken en oordelen is hierbij de sleutel. Dit is wederom een centraal onderwerp in mindfulness, die vaak in de CGT wordt geïntegreerd.
De cognitieve revolutie: Ellis en Beck
Tussen de Stoa en de twintigste eeuw liggen achttien eeuwen waarin de stoïsche gedachte voortleefde in de christelijke, humanistische en verlichte traditie, zonder dat ze een psychotherapie werd. Dat gebeurde pas in de jaren vijftig, in de vorm van twee onafhankelijke ontdekkingen.
Albert Ellis (1913–2007), een New Yorkse psycholoog met een psychoanalytische opleiding, raakte teleurgesteld in het geringe effect van de analyse. In 1955 begon hij met wat hij eerst rationele therapie noemde en later rationeel-emotieve gedragstherapie (REBT). Ellis verwees zelf naar Epictetus en Marcus Aurelius als zijn inspiratiebronnen. Zijn ABC-model is in feite Epictetus in een schema: een gebeurtenis (A, activating event) leidt niet rechtstreeks tot een gevolg (C, consequence), maar via een overtuiging (B, belief). Ellis noemde daarnaast psychoanalytische vernieuwers als Alfred Adler en Karen Horney als voorlopers; Horneys begrip tyranny of the should, de tirannie van het “Zou Moeten”, keert bij Ellis terug. Hij bestrijdt de absolute eisen die mensen aan zichzelf, aan anderen en aan het leven stellen. Hoe jij dit onderscheid tussen Willen, Moeten en Zou-Moeten praktisch gebruikt, beschrijf ik hier.
Aaron Beck (1921–2021), psychiater in Philadelphia, kwam langs een andere weg tot dezelfde conclusie. Ook hij was psychoanalytisch geschoold en wilde in de jaren zestig de psychoanalytische theorie van depressie empirisch toetsen. Wat hij vond klopte niet met de psychoanalyse. Zijn depressieve patiënten bleken een stroom van snelle, nauwelijks opgemerkte gedachten te hebben, die hij automatische gedachten noemde. Die gedachten vertoonden een vast patroon: negatief over zichzelf, over de wereld en over de toekomst. Beck ontwikkelde hieruit de cognitieve therapie. In zijn boek uit 1976 over cognitieve therapie bij emotionele stoornissen wijst hij zelf op de stoïsche filosofie als oorsprong van de gedachte dat emoties uit betekenisgeving voortkomen, en citeert hij Epictetus.
Wat de CGT veranderde
Het zou te makkelijk zijn om de cognitieve gedragstherapie af te doen als oude wijn in nieuwe zakken. De CGT voegde iets wezenlijks toe dat de Stoa niet had: empirische toetsing. Behandelingen werden in protocollen vastgelegd en in gecontroleerde studies onderzocht; wat niet werkte, werd geschrapt. En ze voegde het gedragsexperiment toe, de toets in de praktijk.
Tegelijk liet de CGT veel van de Stoa achter zich. De stoïcijnen waren in de eerste plaats ethici. Hun oefeningen stonden in dienst van een levensideaal: de wijze, die in overeenstemming met de natuur en de rede leeft en de deugd als het enige werkelijke goed beschouwt. Het einddoel was apatheia, vrijheid van de verstorende emoties, niet omdat gevoel slecht is, maar omdat de stoïsche wijze alleen nog “goede gevoelens” kent: vreugde, welwillendheid, voorzichtigheid. De cognitieve gedragstherapie heeft geen levensideaal en geen kosmologie. Ze richt zich op klachten, niet op wijsheid, en ze wil emoties niet afschaffen, maar in verhouding brengen tot de werkelijkheid.
Mindfulness
Interessant is dat de zogenoemde derde generatie van de gedragstherapie. Deze heeft met acceptance and commitment therapy en op mindfulness gebaseerde behandelingen een deel van de stoïsche houding weer heeft teruggehaald. De nadruk verschuift van het bestrijden van gedachten naar het loskomen ervan: een gedachte is een gedachte, niet de werkelijkheid. En de gedachte van controle, in de derde generatie vertaald als aanvaarding van wat niet te veranderen is en inzet voor wat je waardevol vindt, is weer volop terug.
Waarom deze geschiedenis ertoe doet
Deze geschiedenis laat zien dat de cognitieve opvatting van emotie, het idee dat een emotie betekenis en oordeel in zich draagt, een lange en stevige traditie heeft. Die traditie loopt van Chrysippus en Epictetus via Ellis en Beck tot in de hedendaagse emotiewetenschap, die de gedachte grotendeels bevestigt: emoties ontstaan uit de betekenis die een situatie voor ons heeft.
Wie in de therapiekamer of in de coaching zijn eigen gedachten leert onderzoeken, staat dus in een traditie van meer dan twee millennia.
Beck, A. T. (1976). Cognitive therapy and the emotional disorders. New York: International Universities Press. (Hierin de verwijzing naar de stoïsche filosofie en het citaat van Epictetus.)
Ellis, A. (1962). Reason and emotion in psychotherapy. New York: Lyle Stuart. Herziene en uitgebreide editie: Ellis, A. (1994). New York: Birch Lane Press. (Het grondboek; hierin de verwijzingen naar Epictetus en Marcus Aurelius.)
Padesky, C. A. (1993). Socratic questioning: Changing minds or guiding discovery? Keynote address, European Congress of Behavioural and Cognitive Therapies, Londen, 24 september 1993. (Beschikbaar als pdf via padesky.com.)
De Nederlandse psycholoog Nico Frijda (1927–2015) heeft mijn denken over emoties sterk gevormd. Hij liet zien dat emoties geen storende onderbrekingen van het verstand zijn, maar begrijpelijke, wetmatige processen die ons vertellen wat er voor ons op het spel staat. Wie zijn werk leert kennen, kijkt anders naar zijn eigen gevoelsleven.
Nico Frijda
Wie was Nico Frijda?
Frijda geldt als een van de grondleggers van het moderne emotieonderzoek, in Nederland en ver daarbuiten. Van 1965 tot 1992 was hij hoogleraar Functieleer aan de Universiteit van Amsterdam, en daarna nog tien jaar bijzonder hoogleraar Emotietheorie. Zijn boek The Emotions (1986) wordt nog altijd als een standaardwerk beschouwd; in The Laws of Emotion (2007) bracht hij decennia onderzoek samen.
In een tijd waarin de psychologie emoties vooral als bijverschijnsel behandelde (het ging toen vooral om gedrag) keerde Frijda dat perspectief om. Emoties zijn volgens hem juist de drijvende krachten áchter ons gedrag: ze richten onze aandacht, kleuren ons oordeel en zetten ons in beweging. Kenmerkend voor hem was een zekere nuchterheid. Op de vraag uit zijn beroemde oratie, Kunnen mensen denken?, luidde zijn antwoord: ja, een beetje. Diezelfde afgewogen toon hield hij aan over emoties: krachtig, maar niet onbegrijpelijk.
Emoties ontstaan uit betekenis, niet uit gebeurtenissen
Frijda’s eerste grote inzicht klinkt eenvoudig, maar verandert alles: een emotie is geen rechtstreeks gevolg van wat ons overkomt, maar van de betekenis die we eraan geven. Niet de gebeurtenis zelf maakt ons boos, bang of blij, maar onze waardering of inschatting ervan, dus de inschatting van wat de situatie betekent. Vakgenoten noemen dit de “appraisaltheorie”. Frijda is een belangrijke en internationaal gewaardeerde grondlegger hiervan.
Die inschatting, “appraisal”, draait om wat Frijda concerns noemt: onze belangen, doelen, waarden en hechtingen. Een gebeurtenis wordt pas emotioneel zodra ze een van die belangen raakt. Dezelfde regenbui is een ramp voor wie net een buitenbruiloft geeft, en een opluchting voor wie maanden op droogte wachtte. De bui veranderde niet; het belang dat erdoor geraakt werd, verschilt.
Met andere woorden: emoties staan niet los van cognitie, van denken. Emotie, cognitie en gedrag, zijn onoplosbaar met elkaar verbonden.
Voor coaching is dat een hoopvol gegeven. Als emoties voortkomen uit betekenis, dan opent elke herwaardering van die betekenis ook ruimte voor een ander gevoel. Denken en voelen zijn dus nauw verweven zijn, en dit is ook de grondslag is van de Cognitieve Gedragstherapie (CGT).
Actiebereidheid: emotie als drang tot handelen
Frijda’s bekendste bijdrage in de psychologie van emoties is het begrip actiebereidheid (action readiness). Een emotie is in de kern een verandering in onze bereidheid om op een bepaalde manier te handelen, of juist níet te handelen. Angst is bereidheid tot vluchten of vermijden, woede tot grenzen stellen of confronteren, vreugde tot toenadering en betrokkenheid, verdriet tot terugtrekken en loslaten.
Emoties wijzen dus niet alleen op wat er gebeurt, maar duwen ons ook ergens heen. Ze zijn geen passieve reacties maar drijfveren: het zijn de emoties die ons als een motor in beweging brengen. Dat maakt ze tot waardevolle motivatie in plaats van tot lastige klachten. Ik werk dit uit mijn blog in Verdriet, angst, boosheid: van klacht naar kracht.
In de coaching is dit een belangrijke hulp. Wie de actiebereidheid achter een emotie leert herkennen, heeft de keuze: de impuls volgen, of bewust ruimte maken tussen prikkel en reactie. Precies deze ruimte is het onderwerp van Emotionele flexibiliteit. En omdat onze actiebereidheid ook voor anderen zichtbaar is, in onze houding, stem en gezicht, sturen emoties voortdurend onze relaties, zoals ik beschrijf in Emoties als sociale informatie.
De wetten van de emotie
Het meest karakteristieke idee van Frijda is dat emoties wetmatig zijn. Ze gedragen zich niet grillig, maar volgen herkenbare patronen. Hij noemde dit de wetten van de emotie. Die wetten laten zich maar tot op zekere hoogte met de wil sturen. Juist dit besef werkt bevrijdend: je gevoelsleven is geen persoonlijk falen, maar een natuurlijk proces met een eigen logica.
Een paar van die wetten zijn voor het dagelijks leven bijzonder verhelderend:
De wet van het belang zegt dat er geen emotie ontstaat waar geen belang in het spel is: een sterke emotie is dus altijd een aanwijzing dat er iets op het spel staat dat ertoe doet.
Volgens de wet van de schijnbare werkelijkheid reageren emoties op wat we als echt en concreet voorstellen. Een levendig, beeldend voorgesteld gevaar raakt ons sterker dan een abstract, statistisch gevaar, ook als dat laatste objectief groter is.
De wetten van de gewenning en de hedonische asymmetrie verklaren waarom geluk vervaagt zodra we eraan wennen, terwijl pijn onder aanhoudende belasting veel hardnekkiger is (zie ook negativiteitsbias)
De wet van het behoud van emotioneel momentum voegt daaraan toe dat ingrijpende gebeurtenissen hun emotionele lading niet vanzelf verliezen: ze moeten verwerkt worden. Dat verklaart waarom rouw een actief proces is en geen kwestie van afwachten, een onderwerp dat ik uitwerk in Rouwen op je eigen manier.
En de wet van de zorg voor de gevolgen beschrijft hoe elke emotionele impuls vanzelf wordt getemperd door de zorg voor wat eruit volgt. In die ingebouwde rem ligt het natuurlijke aangrijpingspunt voor emotieregulatie.
Die laatste wetten laten zien dat regulatie niet betekent dat je emoties wegdrukt, maar dat je hun logica leert kennen en er ruimte in vindt. Dat is de rode draad van mijn werk rond emotiekennis en emotieregulatie, en het sluit aan op concrete copingstrategieën om met stress en tegenslag om te gaan.
Literatuur
Frijda, N. H. (1986). The Emotions. Cambridge University Press. (Nederlandse vertaling: De emoties, 1988.)
Frijda, N. H. (1988). The laws of emotion. American Psychologist, 43(5), 349–358.
Frijda, N. H. (2007). The Laws of Emotion. Lawrence Erlbaum Associates.
Reeve, J. (2024). Understanding motivation and emotion. John Wiley & Sons.
Wie zich interesseert voor de mechanismes van online manipulatie, moet zich in het boek van Sander van der Linden “Immuun voor Nepnieuws” (2023) verdiepen.
Van der Linden heeft onderzoek gedaan naar de onderliggende strategieën die ten grondslag liggen aan het ontstaan en de verspreiding van bijna alle vormen van nepnieuws. In zijn onderzoek heeft hij een indeling ontwikkeld die bekend staat als de ‘Six Degrees of Manipulation’ (Zes niveaus van manipulatie). Hij beschrijft de technieken identificeert die worden gebruikt om de publieke opinie te misleiden en te beïnvloeden.
Zes niveaus van manipulatie:
1. Polarisatie: het opzettelijk verdelen van groepen binnen de samenleving, het versterken van het ‘wij tegen zij’-denken. Het doel is het vertrouwen, medegevoel en solidariteit te verzwakken.
2. Emotionele triggers: het inspelen op angst, woede of verontwaardiging impulsieve reacties uit te lokken.
3. Samenzweringsverhalen: het verspreiden van uitgebreide “theorieën” die wijzen op verborgen complotten of geheime agenda’s. Het doel hierbij is om het vertrouwen in democratische instellingen te ondermijnen.
4. Impersonatie: het presenteren van valse identiteiten, zoals nepdeskundigen, of vervalste officiële organisaties, om misinformatie geloofwaardig te maken.
5. Trollen: opzettelijk provoceren, lastigvallen of online gesprekken ontsporen om verwarring te zaaien, vijandigheid te kweken.
6. In diskrediet brengen: legitieme informatiebronnen (journalisten, wetenschappers), aanvallen. Het doel is dat mensen waarheid niet meer van leugens kunnen onderscheiden.
Literatuur:
Van der Linden, S. (2023). Foolproof: Why misinformation infects our minds and how to build immunity. WW Norton & Company. Nederlandse titel: “Immuun voor nepnieuws”
We erven een verhaal over emoties dat zo vanzelfsprekend is dat het nauwelijks als verhaal voelt. Er gebeurt iets: een dichtslaande deur, een venijnige opmerking, het gezicht van een kind, en een emotie schiet los. Boosheid, angst, liefde: elke emotie lijkt in één keer compleet aan te komen, ingebakken, in ieder mens gelijk, een reflex die we amper kunnen tegenhouden. Noem dit het triggermodel: emoties zijn in deze visie dingen die ons overkomen.
De Amerikaanse psycholoog en neurowetenschapper Lisa Feldman Barrett betoogt al haar hele loopbaan dat dit beeld niet alleen onvolledig is, maar onjuist. In haar boek How Emotions Are Made stelt ze dat emoties niet getriggerd maar geconstrueerd worden: door het brein in elkaar gezet uit eenvoudiger ingrediënten, en gevormd door de concepten die een bepaalde cultuur je aanreikt. Het is een verrassende these, en ze roept meteen een eerlijke tegenwerping op.
Tegenwerping
Die tegenwerping gaat zo. Barrett onderscheidt affect (de kale ervaring van prettig of onprettig, kalm of opgejaagd, die door elk wakker moment heen stroomt) van emotie. Affect is basaal en waarschijnlijk universeel; emoties als boosheid en vreugde zijn dat niet. Maar zodra je die tweedeling toelaat, roept deze ook vragen op. Als er al een kaal gevoel ligt, is “construeren” dan niet gewoon het plakken van een woord op dat gevoel? Het antwoord op die vraag is de kern van dit stuk, en het leidt naar een idee dat al veel ouder is dan de neurowetenschap.
Affect is nog geen emotie
Om de tegenwerping te wegen, moeten we eerst helder krijgen wat affect is. Volgens Barrett heeft affect twee dimensies. De eerste is valentie: hoe prettig of onprettig je je voelt. De tweede is arousal: hoe kalm of opgejaagd je bent. Elke toestand waarin je verkeert, is een combinatie van die twee. De psycholoog James Russell noemde dit een circumplex, een cirkelvormige ruimte van valentie en arousal. Uitgelaten op een feestje is prettig en hoog in arousal; futloos op de bank is onprettig en laag.
Dat affect komt voort uit interoceptie: het beeld dat je brein doorlopend maakt van de toestand van je lichaam, dus je hartslag, je ademhaling, je energievoorraad. Barrett vat dat samen als je lichaamsbudget. Affect is in feite een korte samenvatting van hoe je er budgettair voor staat. Sta je rood, dan meldt zich een onprettig gevoel; dat is geen luxe maar een prikkel die je brein aanzet om naar een verklaring te zoeken.
Hier zit al een inzicht dat er in de psychologie en coaching toe doet. Een onprettig gevoel betekent niet automatisch dat er iets mis is. Soms belast je alleen je lichaamsbudget. De marathonloper voelt zich moe ver voordat zijn energie op is; wie een lastige denktaak doet, kan zich ellendig voelen terwijl hij uitstekend presteert. Het gevoel is echt, maar het is niet altijd een betrouwbaar bericht over de wereld.
Het concept voorspelt
Terug naar de tegenwerping, dat “construeren” eigenlijk alleen maar het plakken van een woord is. Die tegenwerping klopt alleen als het concept ná het gevoel kom, dus een etiket dat je achteraf op een al voltooide ervaring plakt. Maar Barretts claim is juist het omgekeerde, en die draait om hoe het brein werkt.
Je brein zit niet te wachten tot de wereld het raakt. Het voorspelt. Nog voordat de zintuiglijke prikkel binnenkomt, heeft het al gegokt wat er aankomt, op grond van een leven en leergeschiedenis vol vergelijkbare momenten, en het corrigeert die gok aan wat er werkelijk gebeurt. Dat is geen eigenaardigheid van emoties; het is volgens Barrett de standaardwerking van het brein. De regel die je nu leest, zie je als woorden en niet als inktvlekken omdat je brein woorden voorspelt. Je besluit niet om een boek te zien; je ziet er gewoon een, want de ruwe prikkel is al geordend door concepten die je allang niet meer merkt te gebruiken.
Emotie draait op diezelfde machinerie. Een bonzend hart en een golf van arousal spreken niet voor zichzelf. Of die toestand angst wordt of opwinding, hangt af van het concept waar je brein naar grijpt om er betekenis aan te geven. En het brein grijpt naar het concept vóór het bewustzijn, als onderdeel van het bouwen van de ervaring, niet als commentaar op een al af gevoel. Het concept is dus geen versiering. Om Barretts eigen keukenbeeld te gebruiken: het is minder een etiket op een brood dan de bloem erin. Haal je het bloem weg, dan houd je niet hetzelfde brood zonder etiket over, maar water. Ook als je de tweedeling tussen affect en emotie volledig toelaat, is construeren dus geen herlabelen. Het concept helpt bepalen wélk gevoel je precies voelt.
Affectief realisme: we voelen de wereld
Er is een tweede reden waarom affect niet zomaar “de feiten” doorgeeft, en die verdient in het licht van kritisch denken bijzondere aandacht. Barrett noemt het affectief realisme: we ervaren ons eigen affect als een eigenschap van de wereld. Een foto van een katje “is” prettig, een rottend lijk “is” onprettig, net alsof het prettige of onprettige in het object zelf zit. Maar dat gevoel is van ons; het object belast slechts ons lichaamsbudget. “Ik voel me slecht, dus jij hebt iets slechts gedaan” is de sluiproute die affectief realisme voor ons aanlegt.
De gevolgen zijn niet onschuldig. In een bekend onderzoek onder rechters bleek de kans op afwijzing van een verzoek om voorwaardelijke vrijlating groter vlak voor de lunch: honger, ervaren als een onbestemd naar gevoel, kleurde het oordeel. We denken dat zien geloven is, maar affectief realisme laat zien dat het ook andersom werkt: geloven is zien, en voelen is zien. Dit is dezelfde familie van vertekeningen die ik elders bespreek bij de cognitieve denkfouten, en het is verwant aan de negativiteitsbias: niet ons redeneren maar ons gevoel maakt ongemerkt de conclusie al klaar. Wie dat weet, kan een naar gevoel voortaan behandelen als een vraag: “Wat belast mijn energiebudget?” in plaats van als een vonnis over de ander. Dit is een van de grondslagen van de Cognitieve Gedragstherapie.
Emoties gaan ergens over: Frijda en de intentionaliteit
Affect is dus basaal, maar het is nog geen emotie. Wat komt erbij? Barrett reserveert het woord emotie voor een episode die ergens over gaat: je bent bang voor de hond, boos op je collega, verdrietig om iemand. Je vrolijk voelen zonder aanwijsbare reden telt niet als emotie — dat is louter affect.
Sommigen vinden dat gek: is blij zijn niet óók een emotie, ook zonder object? Toch is de eis die hier gesteld wordt geen willekeur, maar een van de oudste inzichten uit de filosofie van de emoties: intentionaliteit, het gericht-zijn op iets. De Nederlandse emotieonderzoeker Nico Frijda, naar wie Barrett zelf met instemming verwijst, bouwde zijn hele theorie hierop. Emoties zijn voor Frijda antwoorden op de betekenis van een situatie; zijn wet van de situationele betekenis zegt dat emoties ontstaan uit betekenisstructuren en verschuiven zodra de betekenis verschuift. Een emotie zonder object is dan geen zuiverdere emotie, maar bijna geen emotie: er is niets om te beoordelen, niets om je op voor te bereiden, niets waar de emotie voor is. (Wie Frijda’s werk verder wil verkennen, leest meer over Nico Frijda.)
Een heel oud idee: Spinoza
En daarmee kom ik bij de figuur die achter Frijda opdoemt. Barretts werkelijke vernieuwing zit in het mechanisme: voorspelling, interoceptie, het voortdurende budgetteren van het lichaam. Haar filosofische kernclaim, dat een emotie een lichamelijke toestand is, gecombineerd met een idee van wat die toestand betekent, is niet nieuw. Baruch Spinoza bracht die gedachte al in 1677 in kaart.
In de Ethica omschrijft Spinoza een affect (affectus) als een verandering van het lichaam die het vermogen tot handelen vergroot of verkleint, én tegelijk het idee van die verandering. Lees dat nog eens: de affectus is niet het lichamelijke voelen alleen, en niet de gedachte alleen, maar de twee als één ding, een lichamelijke verandering, versmolten met een idee van haar oorzaak. Dat is een constructionistische én intentionele theorie van emotie. De strijd die Barrett voert tegen de traditie van “rede versus hartstocht”, de emotie als een beest dat het verstand moet temmen, was er een die Spinoza al weigerde te voeren. Voor hem waren de hartstochten nooit de vijand van de rede; het waren verwarde ideeën, en verwarring is nu juist iets waar begrip aan kan werken.
Deze brug tussen zeventiende-eeuwse filosofie en hedendaagse affectwetenschap werk ik verder uit op mijn Spinoza-blog.
Waarom dit ertoe doet
Hier verdient het oude idee zijn plaats, en houdt het op academisch te zijn. Spinoza’s stilste, radicaalste claim staat achterin de Ethica: een affectus die een lijdende hartstocht is, houdt op een hartstocht te zijn zodra we er een helder en welonderscheiden idee van vormen. Een affect begrijpen, is het te veranderen.
Barrett komt langs een andere weg op dezelfde plek uit, en noemt het emotionele granulariteit: het vermogen om fijne onderscheidingen te maken tussen gevoelens, ergernis van wrok van teleurstelling onderscheiden in plaats van alles op één hoop “naar” te vegen. Wie meer granulariteit heeft, reguleert emoties soepeler en gaat beter om met tegenslag, want een precies concept is niet alleen een nauwkeuriger etiket; het opent meer specifiekere mogelijkheden om te handelen. Goed benoemen is meer ruimte krijgen om te bewegen. Precies daarover gaat het bij emotiekennis en emotieregulatie en bij de emotionele flexibiliteit die ruimte maakt tussen prikkel en reactie.
Dat is Spinoza’s claim opnieuw, in de taal van voorspelling en concepten — en het keert de oorspronkelijke twijfel om. Als emoties simpelweg getriggerd werden, reflexen die de wereld afvuurt, dan viel er voor begrip weinig te doen behalve de storm uitzitten. Omdat ze gemaakt worden, is begrip geen toeschouwer. Het is een van de ingrediënten. En daarom betekent een naar gevoel ook niet altijd dat er iets mis is. Soms is het, zoals we zagen, niet meer dan een belast budget, iets voor zelfzorg en herstel in plaats van een oordeel om naar te handelen.
Emoties zijn gemaakt, niet getriggerd en niet verzonnen. Wat het constructionistische beeld toevoegt, en wat Spinoza als eerste zag, is dat het auteurschap van je emoties ( al is het maar deels, al ligt het onder de grens van je bewustzijn) je meer ruimte laat dan het oude verhaal van de trigger ooit toestond.
Literatuur:
Barrett, L. F. (2017). How Emotions Are Made: The Secret Life of the Brain. Houghton Mifflin Harcourt. (Nederlandse vertaling: Hoe emoties ontstaan: het geheime leven van het brein.)
Reeve, J. (2024). Understanding motivation and emotion. John Wiley & Sons.
Wetenschappers berichten over een verontrustende trend bij kinderen en adolescenten die gebruik maken van sociale media platforms (bijv. TikTok) om zich te presenteren met functionele psychiatrische beperkingen. Sociale mediaplatforms kunnen zo als transmissiemiddel dienen voor “sociale besmetting” van zelfgediagnosticeerde stoornissen.
Vaak zijn deze psychiatrische zelfdiagnoses niet in overeenstemming met professioneel erkende criteria. De ziektebeelden worden als het ware op de sociale media ontworpen en uitgewerkt (Haltigan et al., 2023) en dienen niet zelden het opbouwen van een “slachtoffermentaliteit”.
Een confirmation bias, myside-bias of bevestigingsvooroordeel is een cognitieve bias. Deze veel voorkomende denkfout is de neiging om aandacht en waarde te hechten aan informatie die de eigen ideeën, overtuigingen of hypotheses bevestigt. Over informatie die de eigen overtuigingen weerspreekt is men daarentegen hyperkritisch. Over het algemeen hebben mensen in hun leven al veel geïnvesteerd (materieel of sociaal geïnvesteerd) in een bepaalde leefstijl of een maatschappelijke groep en zouden nadelen ondervinden als zij een andere overtuiging moeten accepteren. Er wordt in sommige gevallen ook wel gesproken van “gemotiveerde informatieverwerking” (motivated reasoning) waarbij mensen hun eerdere overtuigingen verdedigen, in stand houden of bevestigen.
In-group en identiteit
Wanneer we ons emotioneel verbonden voelen met bepaalde opvattingen treedt gemakkelijk confirmation bias op. We gebruiken uiteindelijk elk willekeurig “bewijs” dat we vinden om simpelweg de vooraf vastgestelde conclusies van onze in-group te versterken. Vooral wanneer we al tijd, energie en geloof in een groep hebben geïnvesteerd willen we het wereldbeeld beschermen dat onze identiteit bevestigt.
Sociale psychologie, cognitieve bias en identiteit
Wat we als feiten en als waar beoordelen hangt af van onze wens voor positieve informatie over ons zelf en onze toekomst (tenzij we ons aan de twee regels houden die hieronder worden beschreven…) . Informatie die positieve gevolgen heeft voor ons zelf of voor de groep met wie we ons identificeren wordt veel sneller als “waar” beoordeeld. Mensen zijn evolutionair niet ontwikkeld om de werkelijkheid/realiteit goed waar te nemen, maar om in groepen te ageren. Voor ons is belangrijk wat onze vrienden en bondsverwanten vinden, niet wat “echt” aan de hand is. Hierbij is het verschil tussen wetenschapper en leken alleen maar gradueel, niet absoluut.
Selectief winkelen is een argumentatie-tactiek waarbij onvolledig bewijs wordt gebruikt om een standpunt te verdedigen. Hierbij worden anekdotische individuele gevallen of gegevens die een bepaald standpunt lijken te bevestigen gekozen. Tegelijkertijd worden andere relevante soortgelijke gevallen of gegevens die het eigen standpunt kunnen tegenspreken worden genegeerd. Gegevens of andere vergelijkbare gevallen die dit standpunt mogelijk ontkrachten, in breder perspectief plaatsen of nuanceren worden daarbij verzwegen. Cherrypicking kan opzettelijk of onopzettelijk plaatsvinden.
Men kiest of interpreteert elk bewijsstuk dat overtuigingen ondersteunt en verwerpt elk bewijsstuk dat dat niet doet. Een favoriete techniek van de confirmation bias.
Confirmation bias is het tegendeel van het falsificatiebeginsel
Terwijl wetenschappelijk, rationeel en kritisch denken juist om een falsificatieprincipe vraagt, is de confirmation bias juist typisch voor intuïtief, subjectief en bevooroordeeld denken. In sommige groepen, zoals bij complotdenkers, vormt de confirmation bias een steunpilaar van het de denken en de algehele argumentatie.
Maar de confirmation bias komt overal in de samenleving voor, ook bij hoogopgeleide mensen. Beslissingen op basis van deze denkfout komen voor in politieke, organisatorische, financiële en wetenschappelijke contexten. Belangrijk is daarom kritische en open discussie in divers samengestelde groepen. Terwijl de meeste mensen individueel hun eigen denkfouten niet kunnen ontdekken, zijn mensen juist erg goed in het ontdekken van de denkfouten van anderen, vooral als deze niet tot de eigen in-group toebehoren. Groepen nemen doorgaans betere beslissingen wanneer mensen uiteenlopende meningen kunnen uiten.
Psychologische vooroordelen, onzekerheid en zeldzame gebeurtenissen
zwarte zwaan: zeldzame gebeurtenis
Psychologische vooroordelen of denkfouten kunnen belangrijke gevolgen hebben voor individuen en groepen, vooral wanneer deze te maken hebben met onzekerheid en zeldzame gebeurtenissen (ook wel genoemd Zwarte Zwanen). We denken dat we de toekomst kunnen voorspellen aan de hand van eerdere ervaringen. Maar vaak hebben wij onvolledige of onbetrouwbare kennis.
Met name de confirmation bias kan mensen overmoedig maken in hun overtuigingen en voorspellingen. Mensen kunnen aannemen dat ze voldoende of accurate informatie hebben om te anticiperen op zeldzame gebeurtenissen. Ze kunnen alternatieve perspectieven of scenario’s negeren die hun bewustzijn of paraatheid zouden kunnen vergroten. Sommige politieke leiders kunnen bijvoorbeeld waarschuwingen of signalen van potentiële crises of conflicten negeren omdat ze niet in hun verwachtingen of agenda passen. Zie de Russisch-Oekraïense Oorlog, maar ook de COVID-pandemie.
Een van de essentiële inzichten van sociaal-psychologisch onderzoek is dat de informatieverwerking van mensen vaak vertekend is, en gekenmerkt door denkfouten.
Hiervoor werd het begrip ‘cognitieve bias’ geïntroduceerd door Tversky en Kahneman .
Een cognitieve bias is een systematisch patroon van afwijking van de norm of rationaliteit of objectiviteit in het oordeel. Individuen creëren hun eigen “subjectieve realiteit” op basis van hun perceptie van de wereld. Zo kunnen cognitieve vooroordelen soms leiden tot onnauwkeurig oordeel, onlogische interpretatie, of wat in het algemeen (kritisch) irrationaliteit of (lovend) intuïtie wordt genoemd.
Veel cognitieve biases zijn evolutionair ontstaan en hielpen mensen om te overleven. Cognitieve fouten kunnen tot effectievere acties leiden. Bovendien maakt het toestaan van cognitieve vertekeningen snellere beslissingen mogelijk. Vaak is snelheid belangrijker dan nauwkeurigheid. Cognitieve vertekeningen zijn een gevolg van menselijke mentale beperkingen, dus van een beperkte capaciteit voor informatieverwerking.
Veel onderzoekers houden zich bezig met cognitieve fouten en er zijn honderden ervan beschreven. Recentelijk hebben de onderzoekers Oeberst en Imhoff een eenvoudige samenvatting van een groot deel van menselijke denkfouten voorgesteld. Niet alle denkfouten vallen onder het voorgestelde vereenvoudige model, bijvoorbeeld niet de negativiteitsbias. Maar veel van de denkfouten laten zich op een eenvoudig model reduceren. Dit is het samenvattend model:
cognitieve fouten denkfouten
Nederlands:
Mijn ervaring is een goede maatstaf.
Ik schat de wereld juist in.
Ik ben goed.
Mijn groep is een goede maatstaf.
Mijn groepsleden zijn goed.
De eigenschappen van mensen, niet de context bepalen resultaten.
Psychologische vooroordelen, onzekerheid en zeldzame gebeurtenissen
Psychologische vooroordelen of denkfouten kunnen belangrijke gevolgen hebben voor individuen en groepen, vooral wanneer ze te maken hebben met onzekerheid en zeldzame gebeurtenissen. We denken dat we de toekomst kunnen voorspellen aan de hand van eerdere ervaringen. Maar vaak hebben wij onvolledige of onbetrouwbare kennis.
confirmation bias
Met name de confirmation bias kan mensen overmoedig maken in hun overtuigingen en voorspellingen. Mensen kunnen aannemen dat ze voldoende of accurate informatie hebben om te anticiperen op zeldzame gebeurtenissen. Ze kunnen alternatieve perspectieven of scenario’s negeren die hun bewustzijn of paraatheid zouden kunnen vergroten. Sommige politieke leiders kunnen bijvoorbeeld waarschuwingen of signalen van potentiële crises of conflicten negeren omdat ze niet in hun verwachtingen of agenda passen.
Literatuur
Oeberst, A., & Imhoff, R. (2023). Toward Parsimony in Bias Research: A Proposed Common Framework of Belief-Consistent Information Processing for a Set of Biases. Perspectives on Psychological Science, 17456916221148147.
Mensen hebben in wezen twee verschillende systemen om kennis over hun omgeving en de wereld te verzamelen: een intuïtief en een systematisch denksysteem. Beide kennissystemen, intuïtief versus wetenschappelijk denken, werken samen. Beide kennissystemen zijn noodzakelijk voor ieder mens.
Om het samenspel tussen emotie, cognitie en gedrag te begrijpen moeten we eerst naar het begrip “sociale cognitie” kijken, dat wil zeggen, de manier waarop mensen waarnemen en denken. Emotie en cognitie komen hierbij samen.
Sociale cognitie is een belangrijk begrip uit de sociale psychologie. Het betekent dat menselijke perceptie en denken sterk bepaald wordt door sociale relaties. Natuurlijk gaat sociale cognitie over het waarnemen en interpreteren van het gedrag van anderen. Maar sociale denkprocessen gaan veel verder en omvatten ook een groot gedeelte van de perceptie van dingen en feiten.