Zelfcontrole zonder moeite

Je hebt je voorgenomen eerder naar bed te gaan, minder aan je telefoon te zitten, die ene lastige klus eindelijk te beginnen. Het lukt een dag, misschien een week, en dan glijdt het weg. Wat overblijft is niet alleen het onafgemaakte voornemen, maar ook een oordeel over jezelf: blijkbaar heb ik te weinig discipline.

zelfcontrole

Dat oordeel is bijna altijd onterecht, en bovendien onbruikbaar. Wilskracht is een slecht model voor wat er gebeurt tussen je bedoeling en je gedrag. Wie zichzelf ziet als iemand met te weinig ruggengraat, gaat harder duwen op precies het moment waarop duwen het minst oplevert. De psychologie van de zelfregulatie biedt een vriendelijker en effectiever perspectief: niet meer wilskracht, maar eerder ingrijpen.

Waarom goede voornemens stranden

Een voornemen is een uitspraak over de toekomst, gedaan door iemand in een optimistische stemming. De uitvoering van het voornemen valt helaas toe aan een ander: een persoon die gehaat is, moe, met honger, met een telefoon binnen handbereik en met een collega die net iets vervelends zei. Die twee versies van jou (nu en later) hebben niet dezelfde belangen en beschikken niet over dezelfde middelen.

Het klassieke beeld van zelfcontrole plaatst het verstand tegen de verleiding, en zegt dat je meer discipline nodig hebt. In dat beeld is falen per definitie een karakterkwestie.
Maar wie zichzelf goed observeert, ziet iets anders. Het moment waarop je “nee” moet zeggen tegen de koekjestrommel is namelijk niet het moment waarop je gedrag beslist wordt! De beslissing viel eerder, toen je de trommel kocht, toen je hem op het aanrecht zette, toen je zonder ontbijt de deur uitging. Zelfcontrole die pas op het laatste moment moet ingrijpen, is lastig en moeilijk. Zelfcontrole die eerder ingrijpt, is effectief.

Het procesmodel van James Gross

De psycholoog James Gross ontwikkelde een model dat dit inzicht scherp maakt. Hij bestudeerde oorspronkelijk emotieregulatie en liet zien dat een emotie geen gebeurtenis is maar een proces, dat zich in de tijd ontvouwt en op verschillende momenten bijgestuurd kan worden. Dat proces begint bij de situatie waarin je terechtkomt, loopt via wat je daarbinnen aandacht geeft en hoe je die situatie betekenis geeft, en eindigt pas bij de reactie die eruit voortkomt.

Gross onderscheidt daarmee vijf aangrijpingspunten, handelingsalternatieven voor zelfregulatie:

  • Je kunt ten eerste een gegeven situatie kiezen of vermijden.
  • Je kunt anders een situatie die je niet kunt vermijden wel veranderen.
  • Je kunt ook je aandacht verleggen binnen een situatie die je niet kunt veranderen.
  • Je kunt ten slotte de situatie anders waarderen, er een andere betekenis aan geven.
  • En als laatste redmiddel kun je je reactie onderdrukken wanneer de emotie er al is.

Het bruikbare van dit model is dat het een volgorde in de tijd zichtbaar maakt. Hoe later in het proces je ingrijpt, hoe meer moeite het kost en hoe minder het oplevert. De laatste optie, Onderdrukken, is de slechtste optie: dit vraagt voortdurende inspanning, het verandert niets aan wat je voelt, en het is vaak toch voor anderen zichtbaar.
In het artikel over emotiekennis en emotieregulatie ga ik verder in op de vaardigheid om je emoties te herkennen en te sturen, en in emotionele flexibiliteit op de ruimte tussen prikkel en reactie die daarvoor nodig is.

Van emotieregulatie naar zelfcontrole

Angela Duckworth heeft dit regulatiemodel uitgebreid naar zelfcontrole in bredere zin: naar alle situaties waarin twee doelen met elkaar botsen. Je wilt de rapportage af hebben en je wilt weten wat er op je telefoon gebeurt. Je wilt gezond eten en je wilt nu iets zoets. Zelfcontrole is dan juist niet het onderdrukken van de ene wens ten gunste van de andere, maar het organiseren van de situatie zodanig dat het conflict zich minder vaak en minder heftig voordoet.

Onderzoek naar mensen die goed zijn in zelfcontrole levert een consistent en bemoedigend beeld op. Zij blijken niet degenen die het meest en het langst weerstand bieden. Zij zijn juist degenen die zichzelf het minst vaak in de verleidingssituatie brengen. Ze ervaren minder innerlijke strijd, niet omdat ze sterker zijn, maar omdat ze de strijd hebben verplaatst naar een moment waarop hij makkelijker te winnen was. Wat van buitenaf op ijzeren discipline lijkt, is van binnenuit vaak gewoon een goed ingerichte omgeving.

Dit betekent dat zelfcontrole grotendeels een vaardigheid is, en niet een karaktertrek waarmee je nu eenmaal wel of niet geboren wordt. En vaardigheden kun je oefenen. Dat is precies de kern van een mastery mindset.

Stimuluscontrole: je omgeving als bondgenoot

De praktische kant van “eerder ingrijpen” heet in de gedragstherapeutische traditie stimuluscontrole: je verandert niet je wil maar de prikkels waaraan je jezelf blootstelt. Het is een van de oudste en meest robuuste technieken uit de cognitieve gedragstherapie, en tegelijk een van de meest onderschatte.

Stimuluscontrole betekent bijvoorbeeld: de telefoon in een andere kamer leggen in plaats van hem naast je toetsenbord te laten liggen en er niet naar te kijken. Het is fruit op tafel en koek in de bovenste kast.

Een schaal met fruit klaarzetten op de werkplek is een typisch voorbeeld hoe men met planning het eigen automatisch systeem gezond gedrag kan triggeren.
gezond gedrag triggeren

Stimuluscontrole is: je hardloopschoenen bij de deur, je werk in een ander programma dan je e-mail, en je gymafspraak met iemand anders maken zodat afzeggen sociale kosten heeft. Elke van deze maatregels kost één keer moeite en gaat dan automatisch.

Deze benadering loopt als een draad door verschillende onderwerpen op deze site. In verander eetgewoontes in kleine stappen werk ik uit hoe dat er bij voeding uitziet, en de pagina over de gezonde keuze als gemakkelijke keuze laat zien dat hetzelfde principe ook op grotere schaal geldt: gedrag verandert vooral wanneer de gewenste optie de weg van de minste weerstand wordt. Ook bij concentratie en bij piekeren is het inrichten van tijd en omgeving vaak effectiever dan het bestrijden van de gedachte zelf.

Als-dan-regels

Een andere zelfregulatietechniek maakt de beslissing heel concreet. In plaats van een algemeen voornemen (“Ik ga meer bewegen”) formuleer je een implementatie-intentie, dat is een als-dan-regel die een concrete situatie koppelt aan een concrete handeling:

  • ALS het dinsdag is en ik de deur uitga, dan neem ik de fiets.
  • Als iemand me op het werk vraagt iets erbij te doen, dan zeg ik dat ik er morgen op terugkom.
  • Als ik merk dat ik mijn mail open terwijl ik aan het schrijven ben, dan sluit ik het tabblad en zet ik een wekker van tien minuten.

Wat zo’n regel doet, is het keuzemoment weghalen bij de vermoeide versie van jou. Je hebt de beslissing al genomen; op het moment zelf hoef je alleen nog een situatie te herkennen en direct te handelen. Dat is een aanzienlijk lichtere taak dan afwegen en nadenken, en het is de reden dat als-dan-regels het opvallend veel beter doen dan goede voornemens die alleen een doel benoemen.

Twee dingen maken hierbij het verschil. De “Als” moet een waarneembaar moment zijn, iets wat je merkt wanneer het gebeurt, en niet een vage periode als “in de loop van de week”. En de “Dan” moet klein genoeg zijn om ook op een slechte dag te lukken. Een regel die alleen werkt wanneer het je goed gaat, is geen regel maar een wens.

Zelfcontrole en eigen regie

Zelfcontrole zo opgevat is geen kwestie van jezelf inperken. Het is een vorm van auteurschap: je ontwerpt de omstandigheden waarin je jezelf laat handelen, in plaats van steeds opnieuw met jezelf te onderhandelen. Daarmee is het een praktische uitwerking van wat ik elders beschrijf als agency of eigen regie: niet alleen willen en kunnen, maar ook daadwerkelijk in beweging komen. Het onderscheid tussen wat je werkelijk wilt en wat je vooral van jezelf vindt dat het moet, werk ik uit in het Willen–Moeten–Zou moeten-lijstje . Zonder dit verschil loopt zelfs de beste als-dan-regel leeg, omdat je dan discipline organiseert voor een doel dat niet van jou is.

En er is een grens. Niet elk probleem is een zelfregulatieprobleem. Wie structureel te veel werk heeft, te weinig slaap of te weinig steun, kan zijn omgeving nog zo slim inrichten en zal er weinig aan hebben. Stimuluscontrole en als-dan-regels helpen wanneer de omstandigheden werkbaar zijn en het schuurt bij de uitvoering. Wanneer de omstandigheden zelf het probleem zijn, is de eerlijke conclusie dat er iets aan die omstandigheden moet veranderen.

Literatuur

Duckworth, A. L., Gendler, T. S., & Gross, J. J. (2016). Situational strategies for self-control. Perspectives on Psychological Science, 11(1), 35–55.

Gollwitzer, P. M. (1999). Implementation intentions: Strong effects of simple plans. American Psychologist, 54(7), 493–503.

Gross, J. J. (2015). Emotion regulation: Current status and future prospects. Psychological Inquiry, 26(1), 1–26.

Ryan, R. M., & Deci, E. L. (2017). Self-determination theory: Basic psychological needs in motivation, development, and wellness. The Guilford Press.

Willen–Moeten–Zou moeten

Veel mensen lopen rond met een lijst in hun hoofd die nooit korter wordt. Je moet nog iets regelen, je zou eigenlijk moeten sporten, je wilt dit weekend eindelijk tijd voor jezelf. Al die werkwoorden voelen even dringend. Juist dat is het probleem: zolang alles op één hoop ligt, raak je uitgeput zonder precies te weten waaraan. Het Willen–Moeten–Zou moeten-lijstje is een eenvoudig hulpmiddel om die hoop te sorteren, en daarmee om je energie terug te vinden.

willen moeten zou moeten

In de coaching gebruik ik deze list met drie categorieën al jaren. Het idee is simpel: bijna alles wat je op een dag doet, valt onder een van drie noemers. Maar die drie zijn niet gelijkwaardig. Het verschil tussen deze begrippen bepaalt of je je geleefd voelt of dat je het roer in handen houdt.

De drie woorden

Willen is wat je werkelijk wilt: dat wat uit jezelf komt, waar je energie van krijgt, wat klopt met wie je bent. In motivatietermen is dit de meest intrinsieke drijfveer.

Moeten is de echte noodzaak, de dingen die werkelijk moeten gebeuren en die je, na eerlijk nadenken, ook onderschrijft. Je belasting betalen, voor je kind zorgen, je werk doen waar je voor gekozen hebt. Je doet het niet omdat het leuk is, maar je stáát erachter. Het hoort bij het leven dat je wilt leiden.

Zou moeten is de lastigste, en de grootste boosdoener. Dit zijn de eisen die je niet zelf hebt gesteld maar die je hebt overgenomen: van je omgeving, van de cultuur, van een oud beeld van wie je hoort te zijn. Je zou je vaker moeten melden, je zou het toch beter moeten doen, je zou je niet zo moeten aanstellen. Vaak is die druk niet eens terecht, en soms zelfs ronduit onredelijk, maar “Zou moeten” voelt vaak net zo dwingend als een echte plicht.

De tirannie van het “zou moeten”

Dat het “Zou moeten” zo zwaar weegt, is geen toeval. De psychoanalytica Karen Horney beschreef al in 1950 wat zij de tirannie van het zou-moeten noemde: de geïnternaliseerde eisen waarmee mensen zichzelf opjagen, los van wat ze werkelijk voelen of nodig hebben. Wie geregeerd wordt door die shoulds, leeft naar een ideaalbeeld in plaats van naar zichzelf en raakt daarmee het contact met de eigen wil kwijt.

Albert Ellis, de grondlegger van de rationeel-emotieve therapie, kwam tot een verwante observatie. Hij zag de starre should en must als bron van veel onnodig lijden: niet de gebeurtenis zelf maakt ons ongelukkig, maar de onverbiddelijke eis dat het anders had moeten zijn. In de cognitieve gedragstherapie gelden zulke should-uitspraken daarom als denkfout: een innerlijke stem die voortdurend straft zonder iets op te lossen.

Het “Zou moeten” reduceren betekent: jezelf bevrijden van eisen die niet de jouwe zijn.

Het misverstand rond “Moeten”

Hier zit een addertje onder het gras, want in het dagelijks Nederlands klinkt “Moeten” juist als dwang van buitenaf, dus als het tegendeel van vrijheid. Toch bedoel ik er iets anders mee. Het “Moeten” in onze lijst is de noodzaak die je hébt onderschreven. Je doet het niet omdat iemand het oplegt, maar omdat het past bij wat je belangrijk vindt.

Dat sluit aan op wat de zelfdeterminatietheorie laat zien over motivatie. Motivatie is geen kwestie van vrij óf gedwongen, maar van een glijdende schaal, zoals ook beschreven op de pagina over het motivatiecontinuüm. Een verplichting die je van harte onderschrijft, voelt heel anders dan dezelfde verplichting die je is opgedrongen. In die zin staan willen en moeten aan dezelfde kant: ze komen allebei voort uit jezelf. Het is daarentegen het Zou moeten dat aan de andere kant staat gedreven door schuld, schaamte en de blik van anderen.

Daarom is het doel van het lijstje niet om alle “Moetens” te schrappen. Sommige dingen moeten nu eenmaal, en dat eerlijk te erkennen geeft rust. Het doel is om het “Zou moeten” te verkleinen, zodat het “Moeten” en het “Willen” weer ruimte krijgen.

willen moeten zou moeten

De lijst bewerken

Het werkt verrassend eenvoudig. Wanneer je je overladen voelt, neem je je innerlijke lijst erbij en zet je bij elk punt: is dit een Willen, een Moeten of een Zou moeten? Alleen al dat sorteren brengt lucht, omdat je merkt hoeveel van je last bestaat uit dingen die je jezelf hebt opgelegd zonder dat iemand erom vroeg.

Vervolgens kijk je per “Zou moeten” wat er gebeurt als je het loslaat. Soms blijkt er een echte noodzaak onder te zitten, dan verhuist het naar “moeten”. Vaak blijkt er niets te gebeuren, behalve dat een knagend schuldgevoel langzaam wegebt. Dat schuldgevoel is geen betrouwbaar kompas; het is meestal de echo van een oude stem, niet de stem van je eigen oordeel. Wie milder met zichzelf leert omgaan kan die stem geleidelijk zachter zetten.

Wat overblijft, is helder: een kern van echte verplichtingen die je draagt omdat je erachter staat, en ruimte voor wat je werkelijk wilt.

Zo win je je eigen regie terug

De diepere winst van deze oefening is een gevoel van eigen regie. Wie zijn dagen vult met “Zou moetens”, staat niet meer aan het roer maar wordt geleefd door verwachtingen van buiten. Het terugbrengen van die last is precies wat agency en eigen regie versterkt, en wat de psychologische basisbehoefte aan autonomie voedt.

Drie concepten terugbrengen naar twee. Het lijkt bijna te simpel! Maar wie ermee oefent, merkt hoeveel last verdwijnt zodra je weet welk werkwoord ergens hoort.

Nico Frijda: de wetten van de emotie

De Nederlandse psycholoog Nico Frijda (1927–2015) heeft mijn denken over emoties sterk gevormd. Hij liet zien dat emoties geen storende onderbrekingen van het verstand zijn, maar begrijpelijke, wetmatige processen die ons vertellen wat er voor ons op het spel staat. Wie zijn werk leert kennen, kijkt anders naar zijn eigen gevoelsleven.

Nico_Frijda Door Dolph Kohnstamm - eigen werk. Picture taken by Dolph Kohnstamm with consent of Nico Frijda, CC BY-SA 3.0, httpscommons.wikimedia.orgwindex.phpcurid=3052163
Nico Frijda

Wie was Nico Frijda?

Frijda geldt als een van de grondleggers van het moderne emotieonderzoek, in Nederland en ver daarbuiten. Van 1965 tot 1992 was hij hoogleraar Functieleer aan de Universiteit van Amsterdam, en daarna nog tien jaar bijzonder hoogleraar Emotietheorie. Zijn boek The Emotions (1986) wordt nog altijd als een standaardwerk beschouwd; in The Laws of Emotion (2007) bracht hij decennia onderzoek samen.

In een tijd waarin de psychologie emoties vooral als bijverschijnsel behandelde (het ging toen vooral om gedrag) keerde Frijda dat perspectief om. Emoties zijn volgens hem juist de drijvende krachten áchter ons gedrag: ze richten onze aandacht, kleuren ons oordeel en zetten ons in beweging. Kenmerkend voor hem was een zekere nuchterheid. Op de vraag uit zijn beroemde oratie, Kunnen mensen denken?, luidde zijn antwoord: ja, een beetje. Diezelfde afgewogen toon hield hij aan over emoties: krachtig, maar niet onbegrijpelijk.

emoties erkennen

Emoties ontstaan uit betekenis, niet uit gebeurtenissen

Frijda’s eerste grote inzicht klinkt eenvoudig, maar verandert alles: een emotie is geen rechtstreeks gevolg van wat ons overkomt, maar van de betekenis die we eraan geven. Niet de gebeurtenis zelf maakt ons boos, bang of blij, maar onze waardering of inschatting ervan, dus de inschatting van wat de situatie betekent. Vakgenoten noemen dit de “appraisaltheorie”. Frijda is een belangrijke en internationaal gewaardeerde grondlegger hiervan.

Die inschatting, “appraisal”, draait om wat Frijda concerns noemt: onze belangen, doelen, waarden en hechtingen. Een gebeurtenis wordt pas emotioneel zodra ze een van die belangen raakt. Dezelfde regenbui is een ramp voor wie net een buitenbruiloft geeft, en een opluchting voor wie maanden op droogte wachtte. De bui veranderde niet; het belang dat erdoor geraakt werd, verschilt.

Met andere woorden: emoties staan niet los van cognitie, van denken. Emotie, cognitie en gedrag, zijn onoplosbaar met elkaar verbonden.

emotie cognitie gedrag

Voor coaching is dat een hoopvol gegeven. Als emoties voortkomen uit betekenis, dan opent elke herwaardering van die betekenis ook ruimte voor een ander gevoel. Denken en voelen zijn dus nauw verweven zijn, en dit is ook de grondslag is van de Cognitieve Gedragstherapie (CGT).

Actiebereidheid: emotie als drang tot handelen

Frijda’s bekendste bijdrage in de psychologie van emoties is het begrip actiebereidheid (action readiness). Een emotie is in de kern een verandering in onze bereidheid om op een bepaalde manier te handelen, of juist níet te handelen. Angst is bereidheid tot vluchten of vermijden, woede tot grenzen stellen of confronteren, vreugde tot toenadering en betrokkenheid, verdriet tot terugtrekken en loslaten.

emotie motivatie

Emoties wijzen dus niet alleen op wat er gebeurt, maar duwen ons ook ergens heen. Ze zijn geen passieve reacties maar drijfveren: het zijn de emoties die ons als een motor in beweging brengen. Dat maakt ze tot waardevolle motivatie in plaats van tot lastige klachten. Ik werk dit uit mijn blog in Verdriet, angst, boosheid: van klacht naar kracht.

In de coaching is dit een belangrijke hulp. Wie de actiebereidheid achter een emotie leert herkennen, heeft de keuze: de impuls volgen, of bewust ruimte maken tussen prikkel en reactie. Precies deze ruimte is het onderwerp van Emotionele flexibiliteit. En omdat onze actiebereidheid ook voor anderen zichtbaar is, in onze houding, stem en gezicht, sturen emoties voortdurend onze relaties, zoals ik beschrijf in Emoties als sociale informatie.

De wetten van de emotie

Het meest karakteristieke idee van Frijda is dat emoties wetmatig zijn. Ze gedragen zich niet grillig, maar volgen herkenbare patronen. Hij noemde dit de wetten van de emotie. Die wetten laten zich maar tot op zekere hoogte met de wil sturen. Juist dit besef werkt bevrijdend: je gevoelsleven is geen persoonlijk falen, maar een natuurlijk proces met een eigen logica.

Een paar van die wetten zijn voor het dagelijks leven bijzonder verhelderend:

  • De wet van het belang zegt dat er geen emotie ontstaat waar geen belang in het spel is: een sterke emotie is dus altijd een aanwijzing dat er iets op het spel staat dat ertoe doet.
  • Volgens de wet van de schijnbare werkelijkheid reageren emoties op wat we als echt en concreet voorstellen. Een levendig, beeldend voorgesteld gevaar raakt ons sterker dan een abstract, statistisch gevaar, ook als dat laatste objectief groter is.
  • De wetten van de gewenning en de hedonische asymmetrie verklaren waarom geluk vervaagt zodra we eraan wennen, terwijl pijn onder aanhoudende belasting veel hardnekkiger is (zie ook negativiteitsbias)
  • De wet van het behoud van emotioneel momentum voegt daaraan toe dat ingrijpende gebeurtenissen hun emotionele lading niet vanzelf verliezen: ze moeten verwerkt worden. Dat verklaart waarom rouw een actief proces is en geen kwestie van afwachten, een onderwerp dat ik uitwerk in Rouwen op je eigen manier.
  • En de wet van de zorg voor de gevolgen beschrijft hoe elke emotionele impuls vanzelf wordt getemperd door de zorg voor wat eruit volgt. In die ingebouwde rem ligt het natuurlijke aangrijpingspunt voor emotieregulatie.

Die laatste wetten laten zien dat regulatie niet betekent dat je emoties wegdrukt, maar dat je hun logica leert kennen en er ruimte in vindt. Dat is de rode draad van mijn werk rond emotiekennis en emotieregulatie, en het sluit aan op concrete copingstrategieën om met stress en tegenslag om te gaan.

patroon

Literatuur

  • Frijda, N. H. (1986). The Emotions. Cambridge University Press. (Nederlandse vertaling: De emoties, 1988.)
  • Frijda, N. H. (1988). The laws of emotion. American Psychologist, 43(5), 349–358.
  • Frijda, N. H. (2007). The Laws of Emotion. Lawrence Erlbaum Associates.
  • Reeve, J. (2024). Understanding motivation and emotion. John Wiley & Sons.

Emotionele flexibiliteit

Wanneer een lastige emotie opkomt, vallen de meeste mensen terug op een van twee reflexen. De een drukt het gevoel weg: Doorgaan, niet zeuren. Een ander raakt in de gevoelen verstrikt en blijft eindeloos malen op wat er misging. Beide reacties voelen alsof je iets aan je emoties dóét, maar ze leveren zelden op wat je hoopt. Wegdrukken zorgt ervoor dat het gevoel later, vaak ongepast, weer bovenkomt. Erin verzakken maakt het gevoel juist groter.

Emotionele flexibiliteit

Er is een derde weg, en die heet emotionele flexibiliteit (in het Engels emotional agility): het vermogen om aanwezig te blijven bij wat je voelt, er ruimte en tijd scheppen en te kiezen wat bij je past.
In dit artikel breng ik twee invalshoeken samen. Eerst laat de neurowetenschapper Lisa Feldman Barrett zien hóé emoties ontstaan, en waarom dit proces betekent dat je emoties kunt bijsturen. Daarna laat psychologe Susan David zien hoe je dat in de praktijk doet. Samen vormen ze een praktisch antwoord op de vraag: hoe word ik niet langer geleefd door mijn gevoelens?

Emoties zijn geen feiten, maar constructies

We ervaren emoties als directe waarheden. Als je angst voelt, lijkt het alsof er gevaar ís; als je je gekwetst voelt, lijkt het alsof de ander je écht onrecht heeft aangedaan. Barrett laat zien dat dit beeld onvolledig is. Volgens haar theorie van geconstrueerde emoties zit een emotie niet kant-en-klaar in je lijf. Barrett legt uit, dat het brein het brein in feite een emotie ter plekke construeert: het brein neemt lichamelijke signalen waar, zoals snellere hartslag, gespannen spieren, een onrustig gevoel in je buik, en geeft die op grond van eerdere ervaringen en concepten een betekenis.

De lichamelijke basis van de emotie noemt Barrett het lichaamsbudget: de voortdurende huishouding van je energie, slaap, beweging en stress. Staat dat budget onder druk, dan voel je je beroerd. Je brein zoekt daar vervolgens een verklaring bij. Soms is die verklaring terecht (“ik ben boos op mijn collega”), soms niet (want ik ben eigenlijk gewoon oververmoeid en heb honger). Het belangrijke inzicht is dit: omdat de betekenis voor een deel wordt gemáákt, kan betekenis ook anders gemaakt worden ( “Ik ben boos” versus “Ik ben moe”). In verschillende betekenissen zit je speelruimte.

Hoe fijner je benoemt, hoe meer keuze je hebt

Niet iedereen ervaart emoties even genuanceerd. De een voelt vooral “rot” of “prima”, de ander onderscheidt teleurstelling van schaamte, irritatie van gekwetstheid, onrust van opwinding. Dat verschil noemt Barrett emotionele granulariteit: hoe fijnmazig je je gevoelens kunt benoemen. Het lijkt een detail, maar het heeft grote gevolgen. Wie alleen grof onderscheid maakt, heeft weinig handelingsopties. Wie precies kan benoemen wat er speelt, kan ook gerichter reageren.

granulariteit

Onderzoek laat zien dat mensen met een rijker emotievocabulaire flexibeler omgaan met stress. Je emotionele woordenschat vergroten is zo gezien een vorm van zelfzorg. Leer nieuwe woorden, leen ze desnoods uit een andere taal, en wees niet tevreden met “boos” als je eigenlijk gefrustreerd, gekrenkt of teleurgesteld bent. Elk genuanceerd woord is een extra greep op je ervaring. Die sluit aan op wat ik in Verdriet, angst, boosheid: van klacht naar kracht beschrijf over de “motor” van zogenaamd negatieve emoties.

Hercategoriseren: dezelfde sensatie, een andere betekenis

Als een emotie ontstaat door een lichamelijke sensatie een betekenis te geven, dan opent zich een concrete strategie: je kunt diezelfde sensatie hercategoriseren. Denk aan de kriebels vlak voor een presentatie of examen. Je kunt dat bonzende hart en die droge mond labelen als “angst”: ” ik ga dit verprutsen”. Of je kunt dezelfde signalen lezen als “spanning die me scherp en alert maakt”. De lichamelijke staat is gelijk; de betekenis en daarmee je reactie verschilt.

Onderzoek

In studies presteren mensen die hun onrust herinterpreteren als opwinding of paraatheid beter op toetsen dan mensen die diezelfde sensaties als bedreigend blijven zien.
Wat het meest helpt: een gevoel eerst te terugbrengen tot de pure lichamelijke onderdelen: een snelle hartslag is gewoon een snelle hartslag. Laat de duiding eerst weg, en benoem de emotie eerst na een denkpauze. Dit proces is verwant aan het bijsturen van gedachten in de cognitieve gedragstherapie, maar zet bewust aan bij het lichaam in plaats van bij de gedachte.

patroon

Waarom opkroppen en piekeren averechts werken

Susan David begint precies waar veel mensen vastlopen: bij de twee gangbare strategieën die niet werken. Opkroppers schuiven hun gevoelens aan de kant en gaan door. Flink zijn, positief denken, niet stilstaan. Piekeraars doen het tegenovergestelde en blijven malen, herkauwen en zichzelf bevragen. Beide strategieën geven de emotie juist méér macht.

Voor opkroppen is de prijs wat psychologen emotionele lekkage noemen: wat je wegduwt, komt op een onbewaakt moment alsnog naar buiten, meestal met een verrassende felheid. En proberen iets níét te voelen kost bovendien verbazingwekkend veel mentale energie. Het klassieke onderzoek waarin mensen verteld wordt dat zij niet aan een roze olifant mochten denken, illustreert het: juist dán denk je nergens anders meer aan.

Onderdrukken versterkt wat je wilde kwijtraken. Voor piekeren geldt iets anders: hoe vaker je een sombere gedachte herhaalt, hoe waarachtiger deze gedachte gaat voelen, ook als het nergens op slaat. Wie hierin vastloopt, vindt in Minder piekeren concrete handvatten.

Vier stappen naar emotionele flexibiliteit

Tegenover opkroppen en piekeren zet David een viertal vaardigheden die elkaar opvolgen.

De eerste is aanwezig zijn. In plaats van je gevoel te bevechten of te ontvluchten, neem je het gevoel waar met nieuwsgierigheid en mildheid: “Wat ben je voor gevoel, wat zeg je?” Het vraagt lef om bij een angstig gevoel te blijven staan, maar juist door een eng gevoel onder ogen te zien en een naam te geven, verliest het een deel van zijn macht. Zelfacceptatie en zelfcompassie vormen hiervan de basis.

De tweede stap is afstand nemen. Je leert je gedachten en gevoelens te herkennen als gedachten en gevoelens, en dat is: geen letterlijke waarheid. “Ik ben waardeloos” wordt “ik merk dat ik de gedachte heb dat ik waardeloos ben”. Dat kleine verschil schept ruimte tussen de prikkel en je reactie, en precies in die ruimte ligt je keuzevrijheid.

De derde stap is je eigen pad volgen. Vanuit die ruimte handel je niet op de automatische piloot van je emotie, maar vanuit je waarden: wat vind ik werkelijk belangrijk, wat voor mens wil ik zijn in deze situatie? Je waarden worden zo je kompas in plaats van je stemming van het moment.

De vierde stap is veranderen via kleine stappen. Grote voornemens stranden meestal; kleine, haalbare aanpassingen in gewoonten en gedrag beklijven wél.

gedragsverandering in kleine stappen
gedragsverandering in kleine stappen

Emotionele flexibiliteit en eigen regie

Barrett en David rekenen af met het idee dat je je emoties moet onderdrukken óf door emoties passief wordt geleefd. Emoties zijn informatie, geen bevelen. Barrett verklaart waaróm bijsturen mogelijk is: omdat je brein emoties construeert, ligt de betekenis niet vast. David laat zien hóé je daarnaar leeft: aanwezig zijn, afstand nemen, je waarden volgen en in kleine stappen veranderen.

Emotieregulatie en emotionele flexibiliteit zijn een kernvaardigheden van agency, of eigen regie, dus het gevoel zelf aan het roer van je leven te staan. Eigen regie door actief tussen gebeurtenissen en reactie ruimte te scheppen waarin een eigen keuze past. Hoe dit samenhangt met autonomie, motivatie en veerkracht lees je op de pagina over agency en eigen regie. Voor de bredere context van emoties begrijpen en reguleren kun je terecht bij het overzichtsartikel emotiekennis en emotieregulatie, en over het omgaan met stress en tegenslag lees je meer bij copingstrategieën en mentale weerbaarheid en veerkracht.

Literatuur

  • Barrett, L. F. (2017). How Emotions Are Made: The Secret Life of the Brain. Houghton Mifflin Harcourt. (Nederlandse vertaling: Hoe emoties ontstaan: het geheime leven van het brein.)
  • David, S. (2017). Emotionele flexibiliteit: laat los, omarm verandering en bloei op in je werk en je leven. Amsterdam: Meulenhoff Boekerij. (Oorspronkelijke titel: Emotional Agility, 2016.)
  • Reeve, J. (2024). Understanding motivation and emotion. John Wiley & Sons.
  • Wegner, D. M., Schneider, D. J., Carter, S. R., & White, T. L. (1987). Paradoxical effects of thought suppression. Journal of Personality and Social Psychology, 53(1), 5–13.

Agency en eigen regie

Een gevoel van agency (in het Nederlands eigen regie) is essentieel voor een tevreden leven. Agency is het vermogen én het gevoel om zelf de auteur te zijn van je eigen handelen: het besef dat jouw keuzes en daden er werkelijk toe doen en verschil maken. Eigen regie is een algemeen psychologisch concept, een mindset, en een soort koepel die op verschillende psychologische pilaren rust. In dit artikel licht ik er drie van deze pijlers van de Agency-Mindset uit:
*of je handelen echt uit jezelf komt: autonomie
*of je gelooft dat je iets kunt bereiken: zelfvertrouwen
*hoe je die regie in de praktijk brengt: zelfcontrole.
*en wat er gebeurt wanneer dat gevoel van regie wegvalt: aangeleerde hulpeloosheid.

Tot slot sta ik nog stil bij de keerzijde van regie: hoe agency zich verhoudt tot verbondenheid.

Autonomie en intrinsieke motivatie

zelfdeterminatietheorie, dat de intrinsieke motivatie Welzijn en intrinsieke motivatie van mensen samenhangt met 3 factoren (psychologische basisbehoeften) : autonomie, competentie en saamhorigheid
autonomie, competentie en saamhorigheid

Agency draait in de eerste plaats om auteurschap, niet alleen om kunnen. Je kunt een taak perfect uitvoeren en je er toch geen eigenaar van voelen. Volgens de zelfdeterminatietheorie is autonomie, het gevoel dat je handelen voortkomt uit je eigen waarden en keuzes, een psychologische basisbehoefte. Wanneer je vanuit die innerlijke instemming handelt, ontstaat intrinsieke motivatie: je doet iets omdat het bij je past, niet alleen omdat het moet. Dat is de kern van eigen regie, het verschil tussen een mindset van “Ik moet” versus “Ik wil”, zelfs ook bij taken die een ander je oplegt.

Zelfvertrouwen en controle

competentie

Naast de mindset “Ik wil” speelt ook het geloof in je eigen invloed een belangrijke rol. Een “Ik kan”-mindset ook genoemd Self-efficacy (zelfvertrouwen) is je vertrouwen dat je een bepaalde handeling daadwerkelijk kunt uitvoeren. Een dergelijke “Ik kan”-Mindset, of een “Ik kan leren”-mindset, is in feite een groei-mindset (Carol Dweck).
Deze overtuigingen over je eigen oorzakelijke kracht hangen sterk samen met de basisbehoefte competentie uit de zelfdeterminatietheorie: ervaringen van meesterschap vergroten je self-efficacy “Ik kan”. Een dergelijk stevig gevoel van self-efficacy maakt dat je juist uitdagingen opzoekt die je competentie verder ontwikkelen, ze versterken elkaar over en weer. Wie hierin wil groeien, heeft veel aan een mastery mindset, en waar dit geloof afbrokkelt, ontstaan vaak faalangst en prestatieangst.

For every ailment under the sun
There is a remedy, or there is none;
If there be one, try to find it;
If there be none, never mind it.

De cirkel van betrokkenheid

Een praktische manier om hiermee te werken komt van Stephen Covey. Hij onderscheidt je cirkel van betrokkenheid (alles wat je bezighoudt: het wereldnieuws, het verleden, het gedrag van anderen) van je cirkel van invloed, dat wat je daadwerkelijk kunt beïnvloeden. Wie zijn energie vooral in de cirkel van betrokkenheid steekt, piekerend over wat hij niet in de hand heeft, voelt zich juist machtelozer en ziet zijn cirkel van invloed krimpen. Richt je je aandacht op wat wél binnen je invloed ligt, dan groeit die cirkel vanzelf.
In een concrete situatie kan het best moeilijk te zijn, om de circel van betrokkenheid van de circel van invloed te onderscheiden. Het helpt om dit met anderen, vrienden, partner of anders een coach te bespreken.

Van willen en kunnen naar doen

Willen en kunnen zijn nog geen doen. Tussen je voornemen en je gedrag zit een uitvoeringsprobleem, en dat los je zelden op met meer wilskracht. Wie goed is in zelfcontrole, blijkt in onderzoek niet degene die het langst weerstand biedt, maar degene die zichzelf het minst vaak in de verleidingssituatie brengt. Eigen regie betekent daarom ook: je omgeving zo inrichten dat het gewenste gedrag de weg van de minste weerstand wordt. Hoe dat werkt, met stimuluscontrole en als-dan-regels, beschrijf ik in zelfcontrole zonder moeite.

Als de regie wegvalt: aangeleerde hulpeloosheid

Eigen regie kent ook een schaduwzijde. Wanneer mensen keer op keer ervaren dat hun handelen geen verschil maakt, kunnen ze aangeleerde hulpeloosheid (Seligman) ontwikkelen: ze stoppen met proberen, zelfs wanneer er weer wél invloed mogelijk is. Een pessimistische attributiestijl betekent, tegenslag te zien als iets persoonlijks, blijvends en allesomvattends. Dit speelt bij aangeleerde hulpeloosheid een sleutelrol. Dit verlies van regie hangt nauw samen met depressieve klachten, met angst en piekeren, en met werkstress en burn-out. Het hoopgevende nieuws is dat eigen regie te herwinnen is: door ervaringen op te doen waarin je wél invloed hebt, door anders te leren kijken naar wat je overkomt, en door een omgeving die je autonomie ondersteunt. Copingstrategieën en het opbouwen van mentale weerbaarheid helpen daarbij.

Agency en verbondenheid

Eigen regie wordt vaak verward met onafhankelijkheid: zelf je boontjes doppen, niemand nodig hebben. Toch is dat een misverstand. De psycholoog David Bakan beschreef al in 1966 twee fundamentele bewegingen in het menselijk bestaan:
agency: jezelf laten gelden, je onderscheiden, initiatief nemen en
communion — je verbinden, opgaan in iets dat groter is dan jezelf.
Een gezond leven vraagt niet om een keuze tussen die twee, maar om een balans ertussen: niet per se op elk moment, maar over de loop van je leven.

Wie veel agency heeft, blijkt in onderzoek juist níét de eenzame einzelgänger. Mensen met een sterk gevoel van regie zijn vaak ingebed in méér steunende relaties, simpelweg omdat ze ook in actie komen om hun behoeften te vervullen, en daar hoort het zoeken van verbinding en steun bij. Eigen regie en verbondenheid sluiten elkaar dus niet uit; in de zelfdeterminatietheorie is verbondenheid net zo goed een psychologische basisbehoefte als autonomie. Agency slaat door wanneer ze verbinding verdringt (“ik heb niemand nodig”), maar net zo goed wanneer ze helemaal oplost in het tevreden houden van anderen. Echte regie betekent daarom ook: je grenzen kennen, hulp durven vragen, en je laten dragen waar dat nodig is.

De steunpilaren van agency

Agency, oftewel eigen regie, is dus opgebouwd uit meerdere lagen: de wil om vanuit jezelf te handelen, het geloof dat je invloed hebt, en de veerkracht om regie te herwinnen wanneer die onder druk staat. Bij het coaching is het versterken van die eigen regie daarom een rode draad.

Literatuur

Bakan, D. (1966). The Duality of Human Existence: An Essay on Psychology and Religion. Rand McNally.

Bandura, A. (1997). Self-efficacy: The exercise of control. W. H. Freeman.

Covey, S. R. (1989). The 7 Habits of Highly Effective People. Free Press.

Kaufman, S. B. (2025). Rise Above: Overcome a Victim Mindset, Empower Yourself and Realise Your Full Potential. Penguin Life.

Rotter, J. B. (1966). Generalized expectancies for internal versus external control of reinforcement. Psychological Monographs, 80(1), 1–28.

Ryan, R. M., & Deci, E. L. (2017). Self-determination theory: Basic psychological needs in motivation, development, and wellness. The Guilford Press.

Seligman, M. E. P. (1975). Helplessness: On depression, development, and death. W. H. Freeman.

Humor en paradox

Dit blog vormt een brug tussen drie eerdere stukken: humor als copingstrategie, lachen is gezond en de paradox-mindset. De stelling: humor is geen toevallige aanvulling op een gezonde paradox-mindset, humor is paradox-denken in zijn meest pure vorm. Wie regelmatig lacht, traint zonder het te weten in het verdragen van ambiguïteit, dubbelheid en de grote onoplosbare vragen van het leven.

De grap is een paradox

Wat maakt een grap grappig? Op die vraag bestaat in de psychologie een verrassend consistent antwoord: een goede grap zet twee onverenigbare betekenissen tegelijk neer en laat ze beide staan. Dit heet de incongruentie-theorie van humor, voor het eerst geformuleerd door filosofen als Kant en Schopenhauer, en in onze tijd uitgewerkt door onder anderen Peter McGraw en Caleb Warren.

“Ik wil geen lid zijn van een club die mensen zoals mij accepteert.”

Groucho Marx

Lees het twee keer. Er zit een paradox in. Aan de ene kant wil Groucho ergens bij horen. Aan de andere kant verwerpt hij elke groep die hem wil hebben, omdat hij zichzelf, ergens onder al die geestigheid, niet acceptabel vindt. Twee waarheden tegelijk. Niet op te lossen. Allebei waar.

Dat is precies waarom de zin grappig is. Wie zou proberen te kiezen “wat bedoelt hij nou echt?” vermoordt de grap. De humor leeft in de spanning tussen de twee.

Veel humor werkt zo. De dubbele bodem van satire. De woordspeling die twee betekenissen in één woord vouwt. De observatiehumor die het normale ineens absurd laat lijken (“consequent inconsequent”). De zelfspot waarin je tegelijk slachtoffer en spreker bent. Telkens dezelfde structuur: niet of, maar en.

Wie hier oog voor krijgt, ziet ineens dat humor een soort gymnastiek is, geestelijke oefening in het tegelijkertijd vasthouden van wat niet bij elkaar hoort.

Wat het brein doet bij een grap

Het bijzondere is dat het brein bij humor niet doet wat het normaal doet wanneer het iets tegenstrijdigs tegenkomt. Normaal triggert tegenstrijdigheid alarm. De anterior cingulate cortex, de conflictdetector van het brein, slaat aan. Stresshormonen schieten omhoog. Het zenuwstelsel bereidt zich voor op vechten of vluchten.

hersenen

Bij een grap gebeurt dit niet. Of, beter gezegd, de conflictdetector slaat wél aan, maar het systeem schakelt onmiddellijk over naar een andere modus. Cognitief psycholoog Henk van Steenbergen en zijn collega’s lieten zien dat humor de conflictdetector juist ondersteunt in plaats van overbelast. Het brein registreert de spanning, maar in plaats van alarm te slaan, ontlaadt het de spanning via lachen.

Lachen is dus letterlijk een fysiologische uitlaatklep voor cognitieve dubbelheid. Wanneer twee onverenigbare frames tegelijk in je brein bestaan, hoeft het lichaam dat niet als bedreiging te verwerken. Het kan, mits de context veilig is, omschakelen naar het parasympathische zenuwstelsel, het rust-en-herstel-systeem. De nervus vagus, waarover ik schrijf in lachen is gezond, speelt hier een centrale rol.

Dit verklaart iets dat iedereen ervaart maar zelden benoemt: na een goede lachbui voelt een moeilijke situatie minder bedreigend. De spanning is er nog, het probleem is niet weg. Maar de manier waarop het lichaam de spanning vasthoudt, is veranderd. Niet alarmerend, maar draagbaar.

Met andere woorden: lachen is hoe het brein een paradox vasthoudt zonder eraan kapot te gaan.

De grote paradoxen van het leven

De grote paradoxen van het bestaan zijn op rationeel niveau onoplosbaar. Ze gaan niet weg, hoe lang je er ook over nadenkt. Een paar voorbeelden:

  • We zijn alleen geboren en we sterven alleen, én we hebben anderen nodig om mens te zijn
  • We willen vrij zijn, én we willen ergens bij horen
  • We willen veiligheid, én we willen avontuur
  • We hechten ons aan wat we liefhebben, én we weten dat alles wat we liefhebben tijdelijk is
  • We willen weten wie we zijn, én we veranderen voortdurend

Wie deze paradoxen eenzidig probeert “op te lossen”, loopt vast.

Humor biedt een derde uitweg.
De Amerikaanse psychiater George Vaillant, die ik in mijn humor-blog ook noem, beschouwt humor om deze reden als een van de meest volwassen psychologische cognitieve mechanismen. Niet vergelijkbaar met ontkenning, repressie of projectie (die juist één kant uitvegen), maar als een manier om de pijn en het leven tegelijk vast te houden. Onderzoek van Vaillant en zijn collega’s in de beroemde Harvard Grant Study, een van de langstlopende ontwikkelingsstudies ter wereld, koppelt dit type humor consistent aan psychologische gezondheid op lange termijn.

Geestelijke beweeglijkheid

Mensen met een goed gevoel voor humor zijn vaak ook mentaal flexibel. Dit is geen toeval. De geestelijke beweeglijkheid die humor vraagt, namelijk schakelen tussen frames, dubbelheid verdragen, kunnen kantelen van perspectief, is dezelfde beweeglijkheid die je nodig hebt om met paradoxen om te gaan. Wie veel met humor speelt, oefent in en/en-denken.

De gezonde vorm van humor is mild, niet hard. Niet alle humor traint de paradox-mindset. Sarcasme en cynisme zijn vaak juist één-kantige vormen van humor. Ze sluiten één kant van de paradox uit. Echte paradox-humor houdt beide kanten warm. De grap is mild, niet bitter; verbindend, niet uitsluitend. In het humor-blog werk ik dit verder uit aan de hand van de vier humorstijlen van Rod Martin.


Verwante blogs:

Literatuur

McGraw, A. P., & Warren, C. (2010). Benign violations: Making immoral behavior funny. Psychological Science, 21(8), 1141–1149.

Martin, R. A., & Ford, T. E. (2018). The psychology of humor: An integrative approach (2nd ed.). Academic Press.

Smith, W. K., & Lewis, M. W. (2022). Both/and thinking: Embracing creative tensions to solve your toughest problems. Harvard Business Review Press.

Van Steenbergen, H., Aben, B., & Notebaert, W. (2015). Humor effects on conflict adaptation. Cognition and Emotion, 29(7), 1322-1330.

Vaillant, G. E. (2000). Adaptive mental mechanisms: Their role in a positive psychology. American Psychologist, 55(1), 89–98.

Vaillant, G. E. (2012). Triumphs of experience: The men of the Harvard Grant Study. Belknap Press.

DeBettignies, B. H., & Goldstein, T. R. (2020). Improvisational theater classes improve self-concept. Psychology of Aesthetics, Creativity, and the Arts, 14(4), 451–461.

Felsman, P., Gunawardena, S., & Seifert, C. M. (2020). Improv experience promotes divergent thinking, uncertainty tolerance, and affective well-being. Thinking Skills and Creativity, 35, 100632.

De paradox-mindset: leven met onzekerheid

Sommige levensvragen laten zich niet oplossen. Werk of relatie? Stabiliteit of avontuur? Geven of opkomen voor jezelf? Wie van zulke vragen een keuze probeert te maken, raakt vaak verder van huis. In dit blog bespreek ik wat psychologen een “paradox-mindset” noemen, een manier van denken die spanning niet probeert weg te poetsen, maar ermee leert leven en eruit leert putten. Het sluit aan op mijn blogs over mastery mindset en veerkracht.

De verleiding van zwart/wit-denken

Mensen houden van duidelijkheid. Wanneer we voor een lastige keuze staan: een baan accepteren of niet, een relatie voortzetten of beëindigen, een kind dichtbij houden of meer ruimte geven: we voelen ons opgelucht zodra we gekozen hebben. De onzekerheid is voorbij. We weten waar we staan.

Maar die opluchting kent een prijs. De onderzoekers Wendy Smith en Marianne Lewis, auteurs van Both/And Thinking, laten zien hoe vaak we voor een tweedeling staan waar geen echte tweedeling is. Werk versus privé. Stabiliteit versus verandering. Trouw aan jezelf versus rekening houden met anderen. We doen alsof het of/of is, terwijl het in werkelijkheid en/en is.

Smith en Lewis maken een belangrijk onderscheid:

  • Een dilemma is een keuze tussen alternatieven die elk op zichzelf een logische oplossing bieden.
  • Een paradox zijn tegenstellingen die met elkaar verweven zijn, allebei waar, en die niet verdwijnen door een keuze.

Veel van wat we als dilemma’s beleven, zijn in werkelijkheid paradoxen. De vraag “kies ik voor mijn carrière of voor mijn gezin?” wordt nooit opgelost. Wie alles op carrière inzet, verliest iets thuis. Wie zich helemaal terugtrekt naar het gezin, verliest iets in zichzelf. De paradox blijft, hoe je ook kiest. Het echte werk is niet kiezen tussen de twee, maar leren bewegen met beiden.

Waarom we ervoor wegduiken

wegduiken

Spanning voelt vervelend. Lichamelijk: je hartslag stijgt, je krijgt knoop in je maag, je piekert. Cognitief: je hersenen zoeken meteen een uitweg richting zekerheid. Sociaal: we worden geprezen om besluitvaardigheid, niet om twijfel.

Psycholoog Leon Festinger noemde dit cognitieve dissonantie. Dit is de innerlijke spanning die ontstaat als we tegelijk twee dingen voelen of denken die niet bij elkaar lijken te passen. Het brein wil die dissonantie oplossen. Daarom verschuiven we ons zelfbeeld om bij onze keuzes te passen, of poetsen we de moeilijke kant van de keuze weg.

Smith en Lewis beschrijven drie valkuilen waar we in glijden wanneer we paradoxen proberen op te lossen door te kiezen en de knoop door te hakken:

  1. Konijnenholen: we worden goed in onze gekozen kant en gaan steeds dieper graven, ook als de wereld om ons heen verandert. Wie hard werken kiest boven rust, wordt steeds productiever, totdat het lichaam in opstand komt. Wie zekerheid kiest boven avontuur, raakt steeds meer vastgeroest in routine.

  2. Sloopkogels: als de verwaarloosde kant zich uiteindelijk meldt, slaan we te ver door naar de andere kant. Na jaren hard werken ineens alles loslaten. Na jaren zorgzaamheid ineens alleen voor jezelf opkomen. De slinger zwaait extreem, en richt schade aan.

  3. Loopgravenoorlog: we polariseren. We graven ons in op één kant en zien de andere kant als de vijand. In relaties, op het werk, in de politiek, overal zie je hoe een paradox die niet wordt erkend, leidt tot verharding.

Wie wel eens een conflict heeft gehad waarin iedereen op zijn standpunt bleef staan, herkent dit. Zoals ik in Constructieve relatieconflicten beschrijf, ligt onder veel oppervlakkige meningsverschillen een paradox die beide partijen anders wegen en niet een onenigheid die met argumenten te beslechten valt.

Yin en yang als een paradox symbool

Tegenstelling: De zwarte en witte delen weerspiegelen tegengestelde dualiteiten. Wederzijdse afhankelijkheid:
De zwarte en witte delen definiëren en versterken elkaar wederzijds, en vormen samen een perfecte, cirkelvormige eenheid.
Dynamiek : De zwarte en witte delen stromen voortdurend van kleiner naar groter, terwijl de tegenovergestelde stippen binnen elk deel laten zien hoe de ene kracht de andere in zich draagt, wat voortdurende beweging suggereert.

Wat is een paradox-mindset?

Tegenover het of/of-denken staat wat Smith en Lewis een paradox-mindset noemen: het vermogen om twee tegengestelde waarheden tegelijk vast te houden, zonder de spanning te willen opheffen. Niet “wat is het goede antwoord”, maar “hoe kan ik recht doen aan beide kanten over tijd”.

Drie grondaannames zijn de grondslag van een paradox-mindset:

1. Van enkelvoudige waarheid naar meervoudige waarheid. In plaats van te denken “wat ik vind is waar, het tegendeel is dus onwaar”, erken je dat meerdere waarheden naast elkaar kunnen bestaan. Ik heb behoefte aan rust en aan stimulatie. Hij heeft gelijk en zij heeft gelijk. Mijn ouders waren liefdevol en tekortschietend.

2. Van schaarste naar mogelijkheid. In plaats van “er is maar zoveel te verdelen, dus iemand verliest”, denken: “hoe kan ik de taart vergroten?”. In plaats van “ik kan niet beide kanten dienen”, denken: “hoe kan ik beide kanten over tijd dienen?”.

3. Van controleren naar coping. Misschien wel het belangrijkste. Smith en Lewis stellen dat we paradoxen niet kunnen oplossen. Wat we wel kunnen is leren ze te hanteren, dus voorlopige antwoorden vinden, die we ldan ater weer bijstellen.

Dit derde punt sluit nauw aan op de mastery mindset: het accepteren dat groei eeuwig is, dat we nooit “klaar” zijn.

Twee soorten focus: het brein heeft beide nodig

Vanuit een heel andere hoek komt psychiater Srinivasan Pillay tot een verwante conclusie. In zijn boek Tinker Dabble Doodle Try (NL Minder focus, meer effect) laat hij zien hoe het brein twee modi heeft die afwisselend nodig zijn:

Het focuscircuit de “zaklamp” van het brein. Het stelt je in staat te concentreren, taken af te maken, doelgericht te zijn. Bèta-hersengolven. Gemarkeerd door duidelijkheid en richting.

Het ontfocus-circuit (het default mode network): “het brein doet even niets”, Het ontfocus-circuit is actief als je mijmert, dagdroomt, doelloos wandelt of in een warm bad ligt. Het maakt verbindingen tussen verleden, heden en toekomst. Het integreert losse stukjes informatie tot nieuwe gehelen. Het is de bron van creativiteit, intuïtie en zelfinzicht.

Volgens Pillay zit het probleem in onze moderne cultuur niet zozeer in een gebrek aan focus, maar in een focus-verslaving. We willen altijd productief zijn, doelgericht, “aan”. Maar wie alleen focust, mist het signaal van de andere kant. Hyperfocus put de prefrontale cortex uit. Beslissingen worden mechanisch, creativiteit verschraalt, het zicht op het geheel verdwijnt.

Concreet zijn er volgens Pillay verschillende manieren om bewust te “ontfocussen”:

  • Mijmeren — toelaten dat je gedachten dwalen zonder ze te sturen
  • Dagdromen
  • Wandelen, vooral in de natuur
  • Bewegen, dansen, zingen, met je handen werken
  • Kleine creatieve activiteiten zonder doel (“tinker, dabble, doodle”)
  • Meditatie en ademhalingsoefeningen
  • Vuistregel: na elke 45 minuten focus 15 minuten ontfocussen

Wie in een lastige paradox vstzit, doet er goed aan niet harder te denken, maar de focus juist los te laten. Veel doorbraken komen tijdens een wandeling, onder de douche, of vlak voor het inslapen. Dat is geen toeval. Het is hoe het brein werkt.

Onzekerheid: het probleem en de uitweg

Beide auteurs cirkelen rond hetzelfde punt: onzekerheid is de kern van wat paradoxen ongemakkelijk maakt. En onzekerheid is eng.

Onderzoek van neurowetenschapper Issidoros Sarinopoulos liet iets opmerkelijks zien. Hij toonde proefpersonen plaatjes, sommige neutraal, sommige beangstigend. Vóór een neutraal plaatje verscheen een O; vóór een eng plaatje een X. In sommige experimenten verscheen alleen een vraagteken. Onzekerheid dus over wat er kwam. De proefpersonen reageerden op het vraagteken heftiger dan op de X. Met andere woorden: niet-weten was erger dan slecht nieuws weten.

Dit verklaart veel. Mensen die in een onzekere periode zitten, over hun werk, hun relatie, hun gezondheid, voelen vaak meer stress dan mensen met een definitief slecht bericht. Het brein vindt zekerheid, ook negatieve, beter draagbaar dan ambiguïteit.

Tegelijk, en hier komt de paradox: onzekerheid is op zichzelf niet schadelijk. Onderzoek van Ingrid Haas en William Cunningham laat zien dat onzekerheid even goed nieuwsgierigheid en open-mindedness kan oproepen als angst en geslotenheid. Het verschil zit in of we ons bedreigd voelen. Wanneer dreiging hoog is, leidt onzekerheid tot vernauwing en defensieve reflexen. Wanneer we ons veilig voelen, leidt diezelfde onzekerheid tot onderzoeken, leren, spelen.

De praktische conclusie: voordat je een paradox of een onzekere situatie kunt aangaan, moet je eerst zorgen dat je niet in alarmtoestand staat. Anders zal het brein automatisch terugvallen op of/of-denken en vlucht- of vechtreflexen. Daarom werken ontspannen, wandelen, slapen, lichaamsbeweging en sociale steun niet als “oplossingen” voor de paradox, maar als manieren om het zenuwstelsel zo te bedaren dat je überhaupt helder kunt denken.

Emotionele flexibiliteit: het bittere én het zoete

Een van de mooiste inzichten uit Both/And Thinking gaat over emoties. We denken vaak dat goed omgaan met situaties betekent: “blijf positief”. Maar onderzoek van Naomi Rothman laat iets anders zien.

Mensen die emotionele flexibiliteit kunnen verdragen dus tegelijk positieve én negatieve gevoelens kunnen voelen en uiten blijken in onderhandelingen, samenwerkingen en relaties effectiever dan mensen die alleen het positieve of alleen het negatieve uitspreken. Wie zegt “ik vind dit moeilijk en ik geloof dat we eruit komen”, roept bij anderen vaak meer betrokkenheid op dan wie alleen het ene of het andere uitstraalt.

Dit is wat we “bitterzoet” noemen: een trouwerij waar verdriet om afwezigen meedoet. Een afscheid waar opluchting en verdriet samengaan. De goede momenten van een relatie die nu eindigt.

Voor de paradox-mindset is emotionele flexibiliteit wezenlijk. Wie zich niet toestaat tegelijk opgelucht én verdrietig te zijn, blij én bang, gemotiveerd én moe, zal de paradox zelf ook niet kunnen verdragen. Voor wie dit moeilijk vindt, helpt het om kleine stappen te zetten richting zelfcompassie: er mag van alles tegelijk zijn, je hoeft niet één gevoel te kiezen.

patroon

Praktische gereedschappen voor de paradox-mindset

Samenvattend een aantal concrete praktijken die de paradox-mindset versterken:

Bouw pauzes in. Tussen prikkel en reactie, tussen vraag en antwoord, tussen e-mail en reply. Een diepe ademhaling, een korte wandeling, een nacht slapen, dat schept de ruimte waarin niet je oude reflex maar je weloverwogen antwoord het wint.

Erken beide kanten van de spanning. Schrijf ze op. “Aan de ene kant verlang ik naar … aan de andere kant verlang ik naar …”. Het opschrijven alleen al haalt scherpte van het of/of weg. Vaak zie je dan dat beide kanten waardevol zijn, en dat het niet om kiezen maar om balanceren gaat.

Stel de vraag opnieuw. In plaats van “moet ik A of B kiezen”, probeer “hoe kan ik over tijd zowel A als B een plek geven?”. Vaak openen zich opties die je in het of/of-denken niet zag.

Zoek je hogere doel. Smith en Lewis benadrukken het belang van een overkoepelend doel of waarde dat boven de paradox uitstijgt. Wanneer je weet waarom je doet wat je doet, kun je makkelijker bewegen tussen de twee kanten zonder je verloren te voelen. De zelfdeterminatietheorie noemt dit de behoefte aan zingeving, en in Welzijn en intrinsieke motivatie werk ik dit verder uit.

Experimenteer in kleine stappen. In plaats van één grote, onomkeerbare beslissing, neem je een proefballonnetje. Een paar maanden de nieuwe richting proberen. Twee dagen per week ander werk. Een kleine investering. Wat leer je? Dit is wat Pillay “tinkering” noemt: knutselen, uitproberen, voelen wat resoneert.

Laat ontfocus toe. Plan periodes zonder doel. Wandel zonder bestemming. Doe iets met je handen dat niet productief hoeft te zijn. Het brein heeft die modus nodig om paradoxen te integreren.

Oefen emotionele ambivalentie. Zeg uit: “Ik vind dit moeilijk en ik wil het”. “Ik ben verdrietig en ik ben dankbaar”. “Ik heb ruimte nodig en ik wil dichtbij zijn”. Niet als excuus voor onduidelijkheid, maar als eerlijke beschrijving van wat er is.

Lachen, humor en improvisatie
Lees meer in mijn blogs over humor en lachen.

Wanneer of/of-denken juist wél past

Tot slot een belangrijke nuance: niet elke beslissing is een paradox. Sommige keuzes zijn gewoon keuzes. “Wat eet ik vanavond?” hoeft geen existentiële spanning te zijn. “Welke trein neem ik?” ook niet. En sommige situaties vragen wél om een knoop doorhakken, bijvoorbeeld als iemand misbruik maakt van jouw ambivalentie, of wanneer uitstel kosten oplevert die te hoog zijn.

De paradox-mindset is niet “blijf eeuwig twijfelen”. Het is: herken wanneer je voor een écht dilemma staat (kies maar gewoon, dan ben je af) en wanneer voor een paradox (waar kiezen alleen tijdelijk verlicht en op termijn schaadt).

De vraag is dus altijd eerst: Heb ik hier te maken met een echte paradox, dus een onoverbrugbare tegenstelling, of met een eenvoudige keuze?


Literatuur

Smith, W. K., & Lewis, M. W. (2022). Both/And thinking: Embracing creative tensions to solve your toughest problems. Harvard Business Review Press.

Pillay, S. S. (2017). Tinker dabble doodle try: Unlock the power of the unfocused mind. Ballantine Books.

Festinger, L. (1957). A theory of cognitive dissonance. Stanford University Press.

Dąbrowski, K. (1964). Positive disintegration. Little, Brown.

Rothman, N. B., & Northcraft, G. B. (2015). Unlocking integrative potential: Expressed emotional ambivalence and negotiation outcomes. Organizational Behavior and Human Decision Processes, 126, 65-76.

Haas, I. J., & Cunningham, W. A. (2014). The uncertainty paradox: Perceived threat moderates the effect of uncertainty on political tolerance. Political Psychology, 35(2), 291-302.

Sarinopoulos, I., Grupe, D. W., Mackiewicz, K. L., Herrington, J. D., Lor, M., Steege, E. E., & Nitschke, J. B. (2010). Uncertainty during anticipation modulates neural responses to aversion in human insula and amygdala. Cerebral Cortex, 20(4), 929-940.

Johnson, B. (1992). Polarity management: Identifying and managing unsolvable problems. HRD Press.

Langer, E. J. (1975). The illusion of control. Journal of Personality and Social Psychology, 32(2), 311-328.

Zelfbeeld en identiteit

Iedereen draagt een beeld met zich mee van wie hij of zij is: bekwaam of onhandig, doorzetter of opgever, sociaal of teruggetrokken. Dat zelfbeeld voelt meestal als een nuchtere vaststelling: zo ben ik gewoon.
Toch is het niet zo eenvoudig. Je zelfbeeld is geen afbeelding van de werkelijkheid, maar een verhaal dat je over jezelf vertelt, en dat je dus ook kunt herzien. Juist die herzienbaarheid maakt het zelfbeeld zo’n krachtig aangrijpingspunt in coaching.

Wat is een zelfbeeld?

Je zelfbeeld, ook wel zelfconcept genoemd, is het geheel van overtuigingen dat je over jezelf hebt: over je eigenschappen, je mogelijkheden, je plek tussen anderen. Het voelt als waarnemen, maar het is voor een groot deel construeren (zelf maken). We denken dat we onszelf kennen, terwijl introspectie ons juist vaak misleidt: we kennen onszelf veel minder goed dan we aannemen, en bouwen ons zelfbeeld op uit losse, vaak toevallige observaties. Wie ’s ochtends een keer niet uit bed komt, kan daaruit de conclusie “Ik ben lui” destilleren en die conclusie vervolgens als feit gaan behandelen. Daar speelt ook de negativiteitsbias een rol: mislukte momenten wegen zwaarder dan geslaagde, waardoor het zelfbeeld vaak somberder uitvalt dan de feiten rechtvaardigen. (Over hoe je jezelf wél leert kennen, via feedback, reflectie en concrete projecten, schreef ik eerder in Betere zelfkennis.)

Geen vaststaand feit, maar een constructie

Dat ons zelfbeeld geconstrueerd is, is geen toevallige tekortkoming maar de manier waarop ons brein altijd werkt. Het brein registreert de werkelijkheid niet passief; het voorspelt en construeert de werkelijkheid actief, zoals ik beschreef in Het lerende brein. Hetzelfde geldt voor onze emoties: ook die zijn geen kant-en-klare reacties maar constructies, een inzicht dat centraal staat in Emotionele flexibiliteit.

Ook het zelf is “geconstrueerd”. Wie je bent, is in feite een proces die je voortdurend vormgeeft, in de verhalen die je over jezelf vertelt, in wat je benadrukt en wat je weglaat. Deze actieve vormgeving is juist bevrijdend: wat geconstrueerd is, kun je ook anders construeren.

“Ik ben” versus “Ik word”: zelfbeeld en mindset

Hier komt het onderscheid van Carol Dweck tussen een fixed mindset en een growth mindset binnen, en nu niet alleen toegepast op je talenten, maar op je hele zelfbeeld. Een fixed mindset over jezelf klinkt als “Ik ben lui”, “Ik heb nu eenmaal geen concentratie”, “Zo zit ik in elkaar”. Het zelfbeeld wordt dan een vast etiket: een diagnose die alles verklaart en niets openlaat. Een growth mindset/groeimindset zegt iets anders: eigenschappen en vaardigheden zijn niet gegeven maar ontwikkelbaar. “Ik wil beter leren plannen” is een heel andere uitspraak dan “Ik bén chaotisch”: De eerste uitspraak opent een weg, de tweede sluit hem af. Over die open houding tegenover ontwikkeling schreef ik in Mastery mindset.

Dit sluit aan op competentieontwikkeling, een van de drie psychologische basisbehoeften uit de zelfdeterminatietheorie. Competentie is geen vast niveau dat je hebt, maar een gevoel van bekwaamheid dat je opbouwt door te oefenen en te groeien. Een zelfbeeld dat ruimte laat voor ontwikkeling, voedt die behoefte. Een vastgeklonken zelfbeeld (“Zo ben ik en dat verander ik niet”) snijdt de competentieontwikkeling af.

Van ideaal naar mogelijke zelven

Het gevaar van idealen

Betekent dit dat coaching draait om het najagen van een ideaal zelf? Liever niet. Een ideaal is meestal een vast, glanzend eindpunt waar je aan moet voldoen. En dat werkt vaak averechts. Hoe groter de kloof tussen wie je bent en het ideaal waaraan je meent te moeten voldoen, hoe meer dat ideaal niet inspireert maar verlamt. Het perfecte ideaal wordt een dreiging in plaats van een richting. Niet voor niets gaat een ideaal zonder duidelijke en realistische weg ernaartoe ook gepaard met somberheid en het gevoel tekort te schieten.

Wie kan je worden?

De psychologie biedt een veel bruikbaarder begrip: dat van de mogelijke zelven. In plaats van één ideaal eindbeeld gaat het om een open, meervoudig en voorlopig repertoire: wie zou ik kunnen worden, wat hoop ik te worden, wat wil ik juist vermijden? Een mogelijk zelf is geen finishlijn maar een kompas. Het wijst een richting zonder een oordeel te vellen. En het werkt het sterkst wanneer het realistisch voelt en gekoppeld is aan concrete stappen. Daarmee versterken zelfbeeldwerk en praktische gedragsverandering elkaar: kleine, haalbare stappen maken een hoopvol toekomstbeeld geloofwaardig, en een geloofwaardig toekomstbeeld geeft die stappen betekenis. (In een apart artikel ga ik dieper in op mogelijke zelven en op narratieve identiteit: het zelf als verhaal dat je opnieuw kunt schrijven.)

Identiteit: één woord, twee betekenissen

Tot nu toe vermeed ik bewust het woord identiteit, want het heeft twee heel verschillende betekenissen die we makkelijk door elkaar halen.

In de eerste, psychologische betekenis is identiteit een beeld dat leeft en ontwikkelt: het samenhangende, maar steeds bijgestelde verhaal over wie je bent en wil worden. Zo opgevat is identiteit meervoudig (je bent tegelijk vakman, vriend, ouder, leerling), is voorlopig en zelf vormgegeven. Dat is gezond.

In de tweede betekenis is identiteit een vast, essentieel etiket: iets wat je onveranderlijk bent, vaak gekoppeld aan een categorie of groep. Die opvatting is psychologisch riskant. Op het niveau van het individu is “Ik ben iemand met ADHD, dus ik kan nu eenmaal niet plannen” precies de fixed mindset die ontwikkeling blokkeert. En opgeschaald naar groepen verhardt dezelfde essentialistische denkwijze tot loopgraven: als identiteit een vaste eigenschap is in plaats van een verhaal in ontwikkeling, wordt identiteit iets om je achter te verschansen in plaats van iets om vorm te geven. Verschillen worden dan onoverbrugbaar gemaakt.

De gezonde houding is dus om identiteit licht op te vatten, meer als werkwoord dan als zelfstandig naamwoord. Niet “Wie ben ik, vastgelegd voor altijd”, maar “Wie ben ik aan het worden”.

Zelfbeeld, eigen regie en coaching

Waarom hoort dit thuis in coaching? Coaching ondersteunt autonomie en agency, oftewel eigen regie: je staat aan het roer van je eigen verhaal in plaats van een etiket op jezelf te plakken. Het zelfbeeld maakt ruimte voor het opbouwen van competentie. En een coherent zelfbeeld hangt op zichzelf al samen met welzijn: het beeld “Briljant, maar lui” is innerlijk tegenstrijdig en daardoor belastend. Een deel van het werk is dan ook niet alleen om het zelfbeeld positiever te maken, maar vooral samenhangender, zodat de sterke en zwakke kanten in één verhaal passen waarin het ene het andere niet ontkracht.

De coach speelt daarin een eigen rol. Omdat introspectie misleidt, is een accuraat zelfbeeld vaak niet van binnenuit te vinden maar van buitenaf: door eerlijke, opbouwende feedback die de genegeerde bewijzen terug in het verhaal brengt. En dat alles werkt het best vanuit mildheid in plaats van zelfverwijt. Over die milde houding gaat mijn artikel Meer zelfcompassie.

Een zelfbeeld is dus geen vaststaand feit waar je je bij neer moet leggen, maar een verhaal dat je steeds weer opnieuw kunt schrijven. Niet een onbereikbaar ideaal of een vast etiket, maar een eenvoudige, open vraag:
Wie wil ik worden?

Literatuur

Bandura, A. (1997). Self-efficacy: The exercise of control. Freeman.

Campbell, J. D., Trapnell, P. D., Heine, S. J., Katz, I. M., Lavallee, L. F., & Lehman, D. R. (1996). Self-concept clarity: Measurement, personality correlates, and cultural boundaries. Journal of Personality and Social Psychology, 70(1), 141–156.

Dweck, C. S. (2006). Mindset: The new psychology of success. Random House.

Higgins, E. T. (1987). Self-discrepancy: A theory relating self and affect. Psychological Review, 94(3), 319–340.

Markus, H., & Nurius, P. (1986). Possible selves. American Psychologist, 41(9), 954–969.

McAdams, D. P. (2001). The psychology of life stories. Review of General Psychology, 5(2), 100–122.

Oyserman, D., Bybee, D., & Terry, K. (2006). Possible selves and academic outcomes: How and when possible selves impel action. Journal of Personality and Social Psychology, 91(1), 188–204.

Ryan, R. M., & Deci, E. L. (2017). Self-determination theory: Basic psychological needs in motivation, development, and wellness. Guilford Press.

White, M., & Epston, D. (1990). Narrative means to therapeutic ends. Norton.

Wilson, T. D. (2011). Redirect: The surprising new science of psychological change. Little, Brown.

Meer zelfcompassie

Zelfverwijt na het maken van fouten kan overweldigend aanvoelen, vooral als je in de greep bent van perfectionisme. Perfectionisten stellen vaak een hoge norm, waardoor zelfs kleine misstappen verwoestend lijken. Zelfcompassie is daarentegen een mindset, die een tegenwicht biedt door je toe te staan te erkennen dat fouten een essentieel onderdeel zijn van het leven. Fouten helpen je te leren en te ontwikkelen en competentie op te bouwen.

zelfcompassie

Perfectionisme en zelfverwijt

Perfectionisme is als een meedogenloze innerlijke criticus die onberispelijkheid eist. Als je gelooft dat elke actie of beslissing perfect moet zijn, kan elke fout een cascade van zelfverwijt veroorzaken. Dit gaat niet alleen over de fout zelf. Perfectionisme is het interne verhaal dat je vertelt dat je het beter had moeten doen, dat je niet goed genoeg bent, dat je altijd alles verkeerd doet, of dat je waardeloos bent.

Zelfcompassie is een positieve mindset

Zelfcompassie biedt een transformerend perspectief door je uit te nodigen jezelf met dezelfde vriendelijkheid te behandelen die een goede vriend zou geven. Compassie betekent dat je erkent dat iedereen fouten maakt. Mensen maken fouten, en soms zelf zeer ernstige en verwijtbare fouten. Technieken zoals mindfulness kunnen je helpen om je zelfkritische gedachten te observeren zonder erin verstrikt te raken.

Zelfcompassie leren

dagboek emotie cognitie zelfbeeld afstand perspectief

Zelfkritiek, piekeren en tobben en de bijhorende negatieve emotie is in eerste instantie een passende reactie op zorgelijke ontwikkelingen en bedreigingen. Belangrijk is het daarom om zicht te krijgen op zowel de gedachten alsook op de achterliggende dreigingen. Schrijf op wat gebeurde en wat jouw gedachten waren of nu nog zijn. Wat vind jezelf van je gedachten, is je zelfkritiek terecht of overdreven?

Samen met een coach of anders met aantekeningen in een dagboek lukt het om afstand te nemen en perspectief op de eigen negatieve gedachten te krijgen. Gaat het om overdreven zorgen of gaat het om problemen die om een gerichte aandacht vragen? Maak samen met een vriend of een coach een plan in kleine concrete stappen om de overbodige negatieve gedachten en/of de achterliggende problemen aan te pakken. Maak gebruik van je emotie, e-motie wil je tot actie brengen.

steun
steun

Wie piekert, zich dus zorgen maakt, moet vooral eerst voor zichzelf zorgen. Zorg voor jezelf door jezelf vriendelijk en ondersteunend toe te spreken. Maak samen met een vriend of een coach lijsten van typische zelfverwijten. Schrijf ernaast een antwoord op je eigen verwijten op de manier als een liefdevolle vriend je zou toespreken. Probeer stapsgewijs je piekeren vriendelijker te maken. Leer om je eigen vriend te zijn. Zorg ook anders goed voor je zelf: denk aan eten, slapen en bewegenMaak ademoefeningen om acute stress tegen te gaan.

Bewegen eten salpen leefstijl
Bewegen eten slapen leefstijl

Coach en psycholoog Den Haag

Ik ben coach en psychoog in Den Haag (psycholoog NIP) en ben ook docent psychologie. Als psycholoog ben ik opgeleid in de cognitieve gedragstherapie (CGT) en relatie- en conflictbegeleiding.

Coach en psycholoog in Den Haag

Begeleiding en psychologische coaching

In mijn coaching en psychologische begeleiding (als coach en als wandelcoach) richt ik mij op persoonlijke ontwikkeling en ondersteuning van positieve relaties. In het kader van de positieve psychologie en oplossingsgerichte therapie ondersteun ik mensen van alle leeftijden in hun vitaliteit en gezonde productiviteit, in hun motivatie, flow, betrokkenheid en bevlogenheid .

Speerpunten als coach en psycholoog

Mijn speerpunten als psycholoog zijn zelfzorg (eten, slapen, bewegen, rust en meditatie), brede ontwikkeling, betere relaties, conflictbegeleiding en verandering van mindset. Ook een bewuste omgang met complexe prioriteiten (Wat will ik en wat moet ik?) is vaak een onderwerp bij mijn  cliënten.

Positieve relaties

steun coach den haag

Goed samenwerken, goed met conflicten omgaan en langdurige relaties opbouwen en onderhouden is essentieel voor een goed leven. Ik ondersteun het ontwikkelen en onderhouden von productieve relaties op het werk en in de privesfeer. Belangrijke leerdoelen omvatten bijvoorbeeld constructieve en positieve communicatie.

Persoonlijke ontwikkeling

Loopbaancoaching

Vanuit een humanistische en positieve visie ondersteun ik persoonlijke ontwikkeling en levenslang leren, bijvoorbeeld met loopbaancoaching.

Coaching: Omgaan met conflicten

De meeste clienten vragen om steun bij innerlijke conflicten, conflicten op het werk of relatieproblemen.
Ik ondersteun clienten erbij om hun uitdagingen en conflicten op een constructieve manier aan te pakken. Clienten leren hoe ze hun gedrag kunnen observeren en doelen kunnen stellen. Ik moedig coachees aan om creatief en flexibel te denken, ambivalente gevoelens onder ogen te zien en hun perspectief te verbreden.
Clienten leren om beslissingen te nemen die op lange termijn een constructieve invloed op hen en hun omgeving hebben.

Mindset

emotie cognitie

*Het opbouwen van een constructieve mindset is een een belangrijk onderdeel van  gedragsverandering.  Clienten observeren hun gedachten en overtuigingen en leren hun negatieve gedachtepatronen te doorbreken en hun potentieel te benutten

Coach en psychoog Den Haag: Kosten

Een consultatie van 50-60 minuten inclusief follow-up mail met een samenvatting van het gesprek kost 100 euro voor particulieren.

Voor bedrijven die een coachingtraject voor medewerkers zoeken, bijvoorbeeld loopbaancoaching of burn-out-preventie stuur ik graag een offerte voor een coachingtraject.

Meer informatie over mijn coaching

E-mail

maria.trepp at gmail.com

 tel. 070-7506286 

(ik ben vaak in gesprek of geef les, stuur alsjeblieft een mail, desgewenst spreken we telefonisch overleg af)

Maak een afspraak voor kennismaking

*online

*of in mijn praktijk aan huis in het centrum van Den Haag achter de Brouwersgracht (tram 2,3, 4,6)

coach psycholoog Den Haag centrum

*of tijdens een wandeling in een van de Haagse parken:

via maria.trepp at gmail.com

Kamer van Koophandel 27326010

Qualified psychologist The Hague

Psychologische Beratung Den Haag

linktr.ee/mariatrepp