Huilen is een van de meest menselijke reacties die er bestaan, en tegelijk een van de meest dubbelzinnige. Na een flinke huilbui kan het voelen alsof er iets is opgeruimd, alsof er weer lucht is. Maar wie dagenlang blijft huilen, merkt vaak het omgekeerde: het huilen lucht niet meer op, het put uit. Huilen lijkt dus soms te helpen en soms vast te houden. Deze blog gaat over de vraag wanneer huilen helpt en wanneer het je vasthoudt. Het antwoord heeft minder te maken met hoe lang of hoe vaak je huilt, en meer met de vraag waarover je huilt: over iets wat je nog kunt veranderen, of over iets wat je moet loslaten.

Huilen als signaal van hulpeloosheid
Mensen huilen niet in de eerste plaats van verdriet, maar van hulpeloosheid. We huilen op het moment dat ons handelen tekortschiet: als we iets niet kunnen tegenhouden, niet kunnen herstellen of niet meer kunnen dragen. Daarom huilen mensen ook bij boosheid die nergens heen kan, bij uitputting, en soms zelfs bij ontroering, wanneer iets zo groot is dat we er niets mee kunnen doen behalve het ondergaan.
De Tilburgse emotieonderzoeker Ad Vingerhoets, die een groot deel van zijn loopbaan aan huilen heeft gewijd, beschrijft huilen daarom als een sociaal signaal. Tranen zeggen tegen de mensen om ons heen: ik kan dit op dit moment niet alleen. Het is opvallend dat mensen de enige soort zijn die emotionele tranen huilen, en dat juist bij mensen de afhankelijkheid van anderen zo lang duurt en zo groot is. Een huilende baby roept zorg op; een huilende volwassene doet dat in principe nog steeds. Huilen hoort zo bij de emoties die niet alleen iets over onze binnenwereld vertellen, maar ook iets in gang zetten bij anderen. Over die sociale functie van emoties gaat de pagina emoties als sociale informatie.

Waarom huilen soms oplucht en soms niet
Er circuleert een hardnekkige verklaring voor de opluchting na het huilen: met de tranen zouden stresshormonen het lichaam verlaten. Die gedachte gaat terug op onderzoek uit de jaren tachtig, waarin in emotionele tranen inderdaad sporen van stressgerelateerde hormonen werden gevonden. De hoeveelheden zijn echter zo klein dat ze de opluchting niet kunnen verklaren, en het idee van ‘uithuilen als ontgiften’ heeft in later onderzoek geen stand gehouden.
Wat het onderzoek wel laat zien, is genuanceerder. Ten eerste is de opluchting vaak vertraagd. Direct na het huilen voelen mensen zich meestal slechter; pas na ongeveer anderhalf uur voelen veel mensen zich beter dan voordat ze begonnen te huilen. Na de opwinding van het huilen volgt een fase waarin het lichaam tot rust komt. Huilen werkt dus eerder als een golf die moet uitrollen dan als een ventiel dat direct opengaat.
Ten tweede hangt de opluchting sterk af van wat er rond het huilen gebeurt. Mensen ervaren vooral opluchting als iemand troost biedt, als de situatie daarna verandert, of als het huilen leidt tot een nieuw begrip van wat er aan de hand is. Wie alleen huilt, zonder dat er daarna iets verschuift, ervaart veel minder opluchting. En mensen die al langere tijd somber, angstig of overbelast zijn, rapporteren na het huilen gemiddeld minder verlichting dan anderen. Dat is belangrijk: juist wanneer iemand veel huilt, levert elk afzonderlijk moment van huilen vaak minder op.
Huilen is dus geen zelfstandig medicijn. Het is een signaal, en de opluchting komt voor een belangrijk deel uit de reactie op dat signaal: van anderen, of van jezelf.

Wat je kunt veranderen en wat niet
Om te begrijpen wanneer huilen helpt, is één onderscheid beslissend: gaat de hulpeloosheid over iets wat je nog kunt beïnvloeden, of over iets wat buiten je invloed ligt?
Bij problemen die je kunt beïnvloeden, helpt vooral probleemgerichte coping: overzicht maken, een plan maken, kleine stappen zetten, steun van anderen inschakelen. Bij problemen die je niet kunt beïnvloeden, helpt vooral emotiegerichte coping: het verdriet toelaten, troost zoeken, betekenis geven, aanvaarden. Geen van beide vormen is beter dan de andere; het gaat erom dat de vorm past bij de situatie. Meer over deze verschillende manieren om met stress en tegenslag om te gaan staat in de blog over copingstrategieën.
Huilen hoort bij uitstek bij het tweede spoor, het spoor van de emotiegerichte coping. Bij een verlies dat niet ongedaan te maken is, is hulpeloosheid geen denkfout maar een juiste waarneming. Maar wie huilt over iets wat wél te beïnvloeden is, loopt het risico dat de hulpeloosheid zichzelf bevestigt. Elke huilbui maakt het gevoel ‘ik kan hier niets aan doen’ sterker, terwijl dat gevoel misschien niet klopt.

Dat hulpeloosheid zichzelf kan versterken, is een oud thema in de psychologie. In de oorspronkelijke theorie over aangeleerde hulpeloosheid werd gedacht dat mensen en dieren passief worden doordat ze hebben geleerd dat hun handelen geen effect heeft. Vijftig jaar later draaiden de grondleggers van die theorie, Steven Maier en Martin Seligman, het beeld om: passiviteit bij tegenslag is de standaardreactie, en wat moet worden aangeleerd, is juist de ervaring van controle. Dat is een hoopvolle omkering. Wie vastzit in hulpeloosheid, hoeft niet eerst iets af te leren, maar kan opnieuw leren dat het eigen handelen effect heeft, liefst in kleine, haalbare stappen. Dat raakt aan de psychologische basisbehoefte aan competentie en aan het gevoel van eigen regie.
Bij hulpeloosheid over iets wat te beïnvloeden is, is de belangrijkste vraag daarom niet ‘hoe stop ik met huilen?’, maar ‘wat is de kleinste stap die wél binnen mijn invloed ligt, en wie kan me daarbij helpen?’. Een plan maken, eventueel samen met anderen, is dan geen afleiding van het verdriet, maar het antwoord op de hulpeloosheid waaruit het verdriet voortkomt.

Tranen bij loslaten
Bij wat niet te veranderen is, hebben tranen een andere functie. Ze horen bij het loslaten van een doel, een verwachting of een hoop.
Onderzoek naar het loslaten van onbereikbare doelen beschrijft een herkenbaar verloop. Wanneer een belangrijk doel onbereikbaar dreigt te worden, gaan mensen zich eerst extra inspannen. Als dat niet helpt, volgt protest: frustratie, boosheid, nog harder proberen. Pas daarna komt een fase van neerslachtigheid, waarin het doel als het ware wordt opgegeven, en uiteindelijk herstel, waarin ruimte ontstaat voor nieuwe doelen. Huilen hoort vaak bij de overgang van protest naar opgeven. Op dat moment markeren tranen een grens: tot hier reikt mijn invloed.

Dat maakt huilen bij loslaten tot iets anders dan een teken van zwakte of falende regie. Het is de erkenning van de grens van regie. Mensen die belangrijke doelen kunnen loslaten wanneer die werkelijk onbereikbaar zijn geworden, en vervolgens hun energie richten op nieuwe doelen, blijken op de lange termijn gemiddeld beter af. Het loslaten zelf doet pijn; het niet kunnen loslaten doet op den duur meer pijn.
Rouw zonder sterfgeval
Het duidelijkste voorbeeld van loslaten is rouw na een overlijden. Maar veel rouw gaat over verliezen waarbij niemand sterft. Er zijn verliezen van mensen die er nog wel zijn, maar niet zijn wie je nodig hebt of hoopte: een partner die niet verandert, een volwassen kind dat een eigen, destructieve weg kiest, een ouder met wie geen goed contact mogelijk blijkt, een vriendschap die is doodgebloed. En er zijn verliezen van toekomstbeelden: een loopbaan die anders loopt, een gezondheid die niet terugkomt, een leven dat niet het leven wordt dat je voor ogen had.

De Amerikaanse gezinstherapeut Pauline Boss noemde dit soort verlies ambigu verlies: het verlies is er wel, maar het is niet afgerond, niet erkend en vaak niet eens benoemd. Juist daardoor kan het lang duren voordat iemand begint te rouwen. Zolang de ander er nog is, of zolang de situatie nog niet definitief lijkt, blijft de hoop bestaan dat het alsnog goed komt. Wie in zo’n situatie steeds opnieuw investeert, en steeds opnieuw teleurgesteld wordt, maakt bij elke teleurstelling een klein verlies mee.
De tranen gelden bij ambigu verlies vaak niet de situatie zelf, maar de hoop die moet worden opgegeven. Dat verklaart ook waarom mensen soms juist instorten na een periode van vooruitgang. Hoe meer je hebt geïnvesteerd, en hoe dichter je bij een oplossing leek te zijn, hoe groter het verlies wanneer blijkt dat het gedrag of de keuzes van een ander buiten je invloed liggen. Zo’n terugval is geen bewijs dat al het voorafgaande werk voor niets was. Het is vaak het moment waarop het werkelijke verlies zichtbaar wordt.

Een golfbeweging, geen tijdslimiet
Hoe lang mag huilen duren voordat het ongezond wordt? Een vaste termijn bestaat niet. Een bruikbaarder maatstaf komt uit het rouwonderzoek, en wel uit het duale procesmodel van de Utrechtse rouwonderzoekers Margaret Stroebe en Henk Schut. Gezonde rouw verloopt volgens dit model niet als een rechte lijn van verdriet naar acceptatie, maar als een golfbeweging tussen twee sporen. Het ene spoor is gericht op het verlies, met verdriet, herinneringen en tranen. Het andere spoor is gericht op herstel, met praktische zaken, nieuwe rollen, afleiding en gewone dagelijkse dingen. Mensen die rouwen, bewegen voortdurend heen en weer tussen die twee sporen. Dat heen en weer bewegen is geen teken van onvoltooide rouw; het is de rouw zelf.
De maatstaf van de golfbeweging geldt ook buiten rouw. Huilen is niet het probleem zolang het afwisselt met momenten van handelen, rust en contact. Het wordt een probleem als het andere spoor wegvalt: als er alleen nog verdriet is, of alleen nog doorgaan zonder verdriet.

Twee andere inzichten uit het rouwonderzoek nuanceren het beeld verder. Ten eerste betekent loslaten niet altijd dat een band wordt verbroken. Vaak krijgt de band een andere plaats: de overledene, of de ander die niet werd wie je hoopte, blijft deel uitmaken van je leven, maar op een andere manier. Tranen kunnen daarom jaren later terugkomen, bij een geur, een datum of een herinnering, zonder dat er iets mis is. Ten tweede rouwen veel mensen met relatief weinig tranen. Ook dat is geen ontkenning of onderdrukking, maar een van de vele manieren van rouwen. Meer daarover staat in rouwen op je eigen manier.
Wanneer huilen je vasthoudt
Het destructieve patroon zit dus niet in het huilen zelf, maar in het blijven hangen tussen veranderen en loslaten. Je doet niets meer om de situatie te veranderen, omdat je je hulpeloos voelt, maar je laat de hoop ook niet los, omdat loslaten voelt als opgeven. In die tussenpositie wordt huilen een vorm van piekeren met tranen: steeds opnieuw dezelfde gedachten, steeds opnieuw hetzelfde verdriet, zonder dat er iets verschuift. Over dat piekeren, en hoe je er grip op krijgt, gaat de blog minder piekeren.

Een eerste stap uit die tussenpositie is het verdriet ontleden. Welk deel van wat je verdrietig maakt, ligt binnen je invloed, en welk deel niet? Voor het deel dat binnen je invloed ligt, kun je een plan maken, het liefst samen met anderen. Voor het deel dat buiten je invloed ligt, kun je je doel herformuleren. Bijvoorbeeld niet langer ‘De ander moet veranderen’ of ‘Het moet goed komen’, maar ‘Ik doe wat redelijkerwijs binnen mijn invloed ligt, en de rest laat ik bij de ander’. Zo’n herformulering is geen nederlaag; het is een verschuiving van een doel dat afhangt van een ander naar een doel dat van jezelf is. Het onderscheid tussen wat je werkelijk wilt, wat werkelijk moet en wat alleen maar ‘zou moeten’ kan daarbij helpen; zie Willen–Moeten–Zou moeten.

Er is nog een tweede patroon dat aandacht verdient. Wie langere tijd overbelast is, gaat vaak huilen om dingen die op zichzelf klein zijn: een vergeten afspraak, een onaardige opmerking, een volle mailbox. Dan zegt het huilen minder over de aanleiding en meer over de uitputting erachter. Huilen is in dat geval een signaal dat de grens van de belastbaarheid is bereikt. Meer over de signalen van overbelasting staat op de pagina over burn-out en werkstress. Als huilen langere tijd aanhoudt en samengaat met slecht slapen, het verlies van plezier in dingen die vroeger plezier gaven, of het gevoel dat niets meer zin heeft, is het verstandig om professionele hulp te zoeken.

Huilen en hulp vragen
Huilen is een signaal van hulpeloosheid, en een signaal werkt pas als iemand het ontvangt. Toch huilen veel mensen bij voorkeur alleen. Juist zorgzame, verantwoordelijke mensen, die gewend zijn om voor anderen klaar te staan, vinden het vaak moeilijk om hun tranen te laten zien of om te zeggen dat ze iets niet meer aankunnen. Ze willen zich flink houden. Maar wie alleen huilt, mist het deel van het huilen dat de meeste opluchting geeft: de reactie van een ander. Tranen delen is daarom geen zwakte, maar het gebruiken van huilen waarvoor het bedoeld is.
Dat geldt ook voor de reactie van jezelf. Wie zichzelf verwijt dat hij of zij ‘weer’ huilt, voegt aan het verdriet een tweede laag toe. Milder kijken naar je eigen tranen, zoals je naar die van een vriend zou kijken, maakt ruimte om te onderzoeken waar de tranen over gaan. Daarover gaat de blog meer zelfcompassie.
Tot hier reikt mijn invloed
Huilen is geen probleem dat moet worden opgelost, maar ook geen remedie die je onbeperkt kunt inzetten. Tranen bij wat je kunt veranderen zijn een uitnodiging om hulpeloosheid te onderzoeken: klopt het wel dat ik niets kan doen, en wie kan me helpen? Tranen bij wat je niet kunt veranderen zijn een onderdeel van loslaten: ze markeren de grens van je invloed. Eigen regie betekent niet dat je alles in de hand hebt. Het betekent ook dat je kunt onderscheiden wat wel en wat niet in je hand ligt, en dat je voor allebei een passende vorm vindt: een plan voor het ene, tranen voor het andere.
Literatuur
Bonanno, G. A. (2009). The other side of sadness: What the new science of bereavement tells us about life after loss. Basic Books.
Boss, P. (1999). Ambiguous loss: Learning to live with unresolved grief. Harvard University Press.
Bylsma, L. M., Vingerhoets, A. J. J. M., & Rottenberg, J. (2008). When is crying cathartic? An international study. Journal of Social and Clinical Psychology, 27(10), 1165–1187.
Gračanin, A., Bylsma, L. M., & Vingerhoets, A. J. J. M. (2014). Is crying a self-soothing behavior? Frontiers in Psychology, 5, 502.
Gračanin, A., Vingerhoets, A. J. J. M., Kardum, I., Zupančić, M., Šantek, M., & Šimić, M. (2015). Why crying does and sometimes does not seem to alleviate mood: A quasi-experimental study. Motivation and Emotion, 39(6), 953–960.
Klass, D., Silverman, P. R., & Nickman, S. L. (Eds.). (1996). Continuing bonds: New understandings of grief. Taylor & Francis.
Klinger, E. (1975). Consequences of commitment to and disengagement from incentives. Psychological Review, 82(1), 1–25.
Lazarus, R. S., & Folkman, S. (1984). Stress, appraisal, and coping. Springer.
Maier, S. F., & Seligman, M. E. P. (2016). Learned helplessness at fifty: Insights from neuroscience. Psychological Review, 123(4), 349–367.
Stroebe, M., & Schut, H. (1999). The dual process model of coping with bereavement: Rationale and description. Death Studies, 23(3), 197–224.
Vingerhoets, A. (2013). Why only humans weep: Unravelling the mysteries of tears. Oxford University Press.
Wrosch, C., Scheier, M. F., Miller, G. E., Schulz, R., & Carver, C. S. (2003). Adaptive self-regulation of unattainable goals: Goal disengagement, goal reengagement, and subjective well-being. Personality and Social Psychology Bulletin, 29(12), 1494–1508.


