Iedereen kent die toestand wel: enthousiasme, levendigheid en een kalme, beschikbare energie waarin je je sterk en aanwezig voelt. In de zelfdeterminatietheorie wordt vitaliteit gedefinieerd als de fysieke en mentale energie die je ter beschikking staat. Energie dus, die je kunt benutten en reguleren voor wat je wilt doen (Ryan & Deci, 2008).

Richard Ryan en Christina Frederick introduceerden hiervoor het begrip subjectieve vitaliteit: de bewuste ervaring dat je over energie en levenskracht beschikt, als een directe afspiegeling van je welzijn (Ryan & Frederick, 1997).
Niet elke energie is vitaliteit
Een belangrijk inzicht van Ryan en Frederick is dat vitaliteit niet hetzelfde is als opwinding of activatie op zich. Je kunt opgejaagd, gespannen of voortdurend “aan” staan en tóch weinig vitaliteit ervaren. Wat vitaliteit kenmerkt, is dat de energie aanvoelt als van jezelf: beschikbaar voor de dingen die je zelf belangrijk vindt. Energie die je verbruikt onder druk, uit moeten of uit angst put je juist uit. Vitaliteit is daarmee energie die in dienst staat van het zelf (Ryan & Deci, 2008). Niet voor niets voelt handelen vanuit willen anders dan handelen vanuit een innerlijke stem die vooral moet, moet, moet.

Vitaliteit en de psychologische basisbehoeften
Steeds meer experimenteel en veldonderzoek laat zien dat vitale energie wordt gevoed wanneer de drie psychologische basisbehoeften vervuld zijn: autonomie, competentie en verbondenheid. Handelen vanuit autonome motivatie (omdat je iets zelf wilt of waardevol vindt) houdt je energie op peil. Handelen vanuit gecontroleerde extrinisieke motivatie (omdat het moet, van jezelf of van een ander) levert vaak dezelfde prestatie op, maar put je vitaliteit uit (Nix, Ryan, Manly & Deci, 1999). Een leven dat vooral draait om extrinsieke doelen als status, geld of uiterlijk bevredigt die behoeften minder, en levert daardoor minder energie op.
Leefstijl, natuur en herstel

Vitaliteit heeft daarnaast een stevige lichamelijke basis. Een gezonde leefstijl (voldoende bewegen, goede slaap, ontspanning en gezond eten) ondersteunt je fysieke en mentale energie. Bijzonder krachtig is contact met de natuur: mensen voelen zich aantoonbaar energieker en levendiger na tijd buiten in een natuurlijke omgeving (Ryan et al., 2010). Dat is een van de redenen dat ik graag wandelend coach en aandacht besteed aan natuur en welzijn. Vitale mensen blijken bovendien beter te copen met stress en weerbaarder tegen fysieke en virale belasting, en rapporteren meer gezondheid en welzijn.
Verwant aan flow

Een nauw verwante toestand is flow: volledig opgaan in een activiteit die je zelf zinvol vindt. Ook flow laat zich goed begrijpen vanuit de zelfdeterminatietheorie en gaat doorgaans samen met een sterk gevoel van vitaliteit (Bakker & Van Woerkom, 2017). Waar vitaliteit de beschikbare energie beschrijft, beschrijft flow de toestand waarin die energie helemaal opgaat in wat je doet.
Vitaliteit en eigen regie
Dat vitaliteit “energie die je ter beschikking staat” is, raakt de kern van agency en eigen regie: het gevoel zelf aan het roer van je leven te staan. Wie handelt vanuit eigen keuze en autonomie houdt energie over; wie vooral leeft vanuit moeten, raakt langzaam uitgeput. Werken aan je vitaliteit is daarom niet alleen een kwestie van rust en leefstijl, maar ook van regie: kiezen voor wat werkelijk van jou is.
Literatuur
Bakker, A. B., & Van Woerkom, M. (2017). Flow at work: A self-determination perspective. Occupational Health Science, 1, 47–65.
Nix, G. A., Ryan, R. M., Manly, J. B., & Deci, E. L. (1999). Revitalization through self-regulation: The effects of autonomous and controlled motivation on happiness and vitality. Journal of Experimental Social Psychology, 35(3), 266–284.
Ryan, R. M., & Frederick, C. (1997). On energy, personality, and health: Subjective vitality as a dynamic reflection of well-being. Journal of Personality, 65(3), 529–565.
Ryan, R. M., Weinstein, N., Bernstein, J., Brown, K. W., Mistretta, L., & Gagné, M. (2010). Vitalizing effects of being outdoors and in nature. Journal of Environmental Psychology, 30(2), 159–168.
















